Hoofdstuk 12:
12.1)
De cognitieve ontwikkeling volgens Piaget:
Peuters en kleuters denken preoperationeel dit is egocentrisch. Ze missen het vermogen om
operaties te gebruiken (operaties = geordende,formele,logische mentale processen)
Het concreet-operationele stadium voltrek zich in het 7de en 12de levensjaar. Dit stadium
wordt gekenmerkt met het actieve en juiste gebruik van logica:
- Logica > logische operaties toepassen op concrete problemen. Bijvoorbeeld het
oplossen van het conservatieprobleem glas en water, de kinderen kijken nu niet meer
alleen naar de uiterlijke verschijning maar gebruiken cognitieve en logische processen.
- De kinderen zijn nu minder egocentrisch en houden rekening met verschillende
ascpecten van een situatie (=decentreren)
- Kinderen begrijpen het begrip reversibiliteit > het besef dat processen die een stimulus
veranderen kunnen worden omgekeerd waardoor de stimulans weer in de oude vorm
terug keert.
Deze verschuiving van het preopperationeel naar het concreet-operationeel gebeurt niet op
een dag maar in bijv. 2 jaar. Kinderen kunnen dan bijv. wel een conservatieprobleem oplossen
maar kunnen dit nog niet verwoorden.
Kinderen in concreet-operationele stadium nog steeds een beperking namelijk: ze blijven
vastzitten aan de concrete, fysieke realiteit. Niet in staat om abstracte of hypothetische vragen
te stellen, of vragen waarin de formele logica is verwerkt.
Kritiek op de theorie van Piaget:
- Sommige kinderen eerder het concrete operationele stadia al bereiken voor hun 7de
levensjaar.
- Sommige kinderen na 12 jaar nog niet in de concrete operationele stadia verkeren.
(cross-cultureel onderzoek)
- Dat met training op conservatieproblemen kinderen met een achterstand toch op gelijk
niveau kunnen eindigen met iemand die zich sneller ontwikkelde.
- Kinderen uit niet-westerse werelden met een andere cultuur hebben ook andere
ervaringen waardoor het resultaat van de test ook anders is. De test is immers gemaakt
naar ervaringen uit de westerse wereld.
, Informatieverwerkingtheorie = Kinderen leren steeds beter omgaan met informatie, omvang
geheugen neemt toe en ze kunnen de informatie steeds beter verwerpen :
- Herrindering = Het vermogen om informatie te coderen, op te slaan en weer te
herhalen.
Codering = De informatie opnemen en in bruikbare vorm voor het geheugen maken.
Opslaan = De informatie moet nu op de juiste manier worden opgeslagen in
geheugen.
Herhalen/Retrieval = Het terughalen van de opgeslagen informatie, en wordt gebruikt.
- In schooltijd verbetert het kortetermijngeheugen ( bijv. grote reeks getallen)
- Ontwikkeling in complexere strategieeen voor het terughalen van informatie.
Metageheugen = Het besef van de processen die ten grondslag liggen aan het geheugen dat in
de schooltijd opkomt en in die periode verbeterd.
- Als kinderen ouder worden gaan ze steeds begrijpen wat het geheugen inhoudt en gaan
ze steeds meer geheugenstrategieen gebruiken. (vaker en effectiever)
De verbetering van het geheugen is te trainen. Men kan schoolkinderen bepaalde strategieen
leren te gebruiken, niet alleen hoe maar ook wanneer deze gebruikt moet worden.
Geheugenstrategieen:
- Rehearsel = consistente herhaling van informatie die kinderen willen onthouden
- Organisatie = het in catogorieeen onderbrengen van bijv. materiaal
- Sleutelwoordstrategie = bij het leren van vreemde taal een woord in nl bij gebruiken.
- Cognitieve elaboratie = koppeling van mentale beelden aan de informatie die
herrindert moet worden.
Vygotsky’s theorie op de cognitieve ontwikkeling:
Cognitieve ontwikkeling volstrekt zich door blootstelling aan informatie binnen de zone van
naaste ontwikkeling (Zone of Proximal Development) van een kind.
Zone of proximal development = het niveau waarop een kind een taak bijna, maar niet
helemaal, zelfstandig kan begrijpen of uitvoeren.
Volgens Vygotsky:
- Zou het onderwijs zich vooral moeten richten op activiteiten waarbij interactie met
anderen komt kijken. (wel binnen het ZPD > leid tot cognitieve groei)
- Cooperatief leren = kinderen werken in groepen voor een gemeenschappelijk doel,
door verschillende talenten vullen de kinderen elkaar aan.
- Rolwisselend leren = wederkerigheid, eerst begeleiden de onderwijzers de leerlingen
maar geleidelijk breiden leerlingen hun zone van naaste ontwikkeling verder uit en
kunnen ze uiteindelijk zelf anderen helpen met leren.