Een ecosysteem is:
● alles dat bijdraagt aan het in stand houden van het leven.
● de uitwisseling van materie en energie tussen de biotische en abiotische factoren.
● een interactie van biotische factoren zoals producenten, consumenten en reducenten
met hun abiotische omgeving.
Het proces waarbij planten(en sommige bacteriën) energierijk C6H12O6(glucose) maken met
behulp van zonlicht uit CO2 en H2O heet fotosynthese. CO2 en H2O zijn anorganische
stoffen, stoffen zonder energierijke C-H-verbindingen. Ook de mineralen
die de planten uit de bodem halen zijn anorganisch. Een aantal soorten Chemosynthese:
bacteriën gebruiken chemische energie die vrijkomt bij de oxidatie van 6 CO2 + 6H2O + 3 H2S →
anorganische stoffen zoals H2S, NH4+ en NO2-. Deze productie door bv C6H12O6 + 3 H2SO4
zwavel-, nitriet- en nitraatbacteriën heet chemosynthese(BT93G). Via
chemosynthese krijgen organismen in de ecosysteem rond vulkanische
geisers in de diepzee hun energie. Bacteriën oxideren H2S uit de geisers → met de
vrijgekomen energie koppelen ze CO2 aan H2O → organische stof(glucose) ontstaan.
Planten zijn foto-autotrofe organismen, organismen die mbv lichtenergie organische stoffen
maken uit anorganische stoffen. Chemo-autotrofe organismen doen hetzelfde maar dan mbv
chemische energie ipv lichtenergie. Foto- en chemo-autotrofe organismen zijn de
producenten van het ecosysteem. Ze leggen energie vast in organische verbindingen.
tijdens hun leven verdwijnt een deel van die energie als warmte. Consumenten gebruiken de
energie uit de organische verbindingen van hun voedsel voor hun levensverrichtingen. Ook
zij verliezen warmte. Reducenten breken organische stoffen volledig af tot anorganische, Via
de reducenten verlaat het laatste hoeveelheid vastgelegde energie het ecosysteem.
Regenwater belandt in een stad voor een groot deel in het riool; op het platteland dringt het
water meer de bodem in. Samen met de factoren als temperatuur en wind leidt dit tot het
ontstaan van een eigen microklimaat in de stad.
17.2
De omstandigheden in een stad kunnen zo ongunstig zijn, dat soorten uit de stad
verdwijnen. Door de verscheidenheid aan habitats en niches kan het aantal soorten in de
stad erg groot zijn. Steeds meer steden komen te liggen in gebieden met een grote
biodiversiteit. In eerste instantie leidt dit plaatselijk tot een afname van de biodiversiteit.
Steden bieden echter ook kansen voor allerlei organismen: soorten emigreren naar de stad
en aanwezige soorten adapteren aan de nieuwe omstandigheden. Adaptatie is een
verandering in bouw of gedrag van een soort, waardoor deze beter aangepast is aan de
heersende milieufactoren. Dat vergroot de biodiversiteit.
In de buitenwijken leven meer soorten organismen, zelfs meer dan in de omgeving van de
stad omdat de buitenwijken een overgang vormen tussen de stad en zijn omgeving. Een
buitenwijk is een voorbeeld van een gradiëntenecosysteem, een ecosysteem waarvan de
abiotische factoren vanaf de ene kant het ecosysteem naar de ander kant geleidelijk kan
veranderen.
Een organisme dat oorspronkelijk niet in een bepaald gebied voorkomt, maar er zich heeft
gevestigd heet een exoot.