CELLEN
Een cel bestaat van buiten naar binnen uit:
• celmembraan: de semi permeabele wand om de cel heen.
• cellichaam: hierin zit cytoplasma, waar het centraal lichaam in zit.
• celkern: bestaat uit een kernmembraan met daarin het kernplasma waarin
chromatine zit. De celkern regelt alle levensprocessen in de cel.
Het cytoplasma in het cellichaam en het kernplasma in de celkern noemen we samen
het protoplasma.
De cel heeft verschillende functies:
• produceren en afscheiden van stoffen (kliercellen)
• samentrekken (hart en spiercellen)
• impulsen of prikkels geleiden (zenuwcellen)
• groei
• stofwisseling
• voortplanting
Directe celdeling - (ééncellige organismen) :
De celkern en het cellichaam delen zich gelijktijdig.
Indirecte celdeling - (meercellige organismen) :
De celkern deelt eerst en daarna het cellichaam.
Er zijn twee vormen van indirecte celdeling: mitose en meiose
Mitose: vindt plaats in lichaamscellen, de chromosomen verdubbelen.
Meiose: vind alleen plaats bij geslachtscellen (ei/zaad) de chromosomen halveren.