PSYCHOPATHOLOGIE
TAAK 7: PROJECTIETEST – LEITMOTIV of PEJORATIEF
Kaplan H14 – projective personality tests
The projective hypothesis
Projective hypothesis = zegt dat wanneer mensen proberen om een vage stimulus te
begrijpen, hun interpretatie van die stimulus te maken heeft met hun gevoelens, noden,
ervaringen, gedachten, … Je ziet dus eigenlijk een reflectie van je innerlijke geest.
The Rorschach inkblot test
Historical antecedents
Kerner zag in 1857 dat mensen vaak een persoonlijke mening gaven aan het zien van een
inkblot, bleek dus dat niet iedereen die vlek/stimulus op eenzelfde manier interpreteerde.
Hierdoor gingen ze deze gebruiken om mensen te bestuderen. Binet ging deze gebruiken om
persoonlijkheidsstoornissen te onderzoeken. Het unieke aan Rorschach is dat deze die inkblots
ging gebruiken om psychologische stoornissen te identificeren. Hij schreef ook het boek
Psychodiagnostik. Mensen waren heel kritisch en sceptisch hierover toen het idee naar de VS
gebracht werd (door Levy). Beck, Hertz, Klopfer, Piotrowski en Rapaport speelden elk een
belangrijke rol om de Rorschach inkblot test bekend en populair te maken doorheen heel de
wereld. Elk van deze experts had een eigen manier van het interpreteren en scoren waardoor
nog steeds onenigheden zijn over de test.
Stimuli, administration and interpretation
De test bestaat uit kaarten met een stimulus op, deze verkreeg hij door inkt op een stuk papier
te laten vallen en het te vouwen. Hij deed dit vaak tot er 20 over bleven. Het is een individuele
test, dus je moet iedere kaart aan de persoon laten zien. Er wordt gewoon gevraagd ‘wat zie je
hier’. Vaak zit onderzoeker langs de proefpersoon zodat deze niet beïnvloed wordt door
gezichtsuitdrukkingen. De onderzoeker mag niks vertellen over het doel of hoe je zo’n stimulus
moet interpreteren, het blijft allemaal heel vaag voor de proefpersoon. Het doel hiervan is dat
het antwoord ook echt alleen van de proefpersoon zelf komt.
Iedere kaart wordt 2x getoond:
1) Free-association phase: de kaarten worden een per keer getoond. Elk woord en geluid
wordt opgenomen en checkt ook hoe lang het duurt voordat de proefpersoon antwoord bij
iedere kaart (reactietijd) en de positie van de kaart (ondersteboven, opzij). In deze fase mag
je dus gewoon alles zeggen wat in je opkomt
2) Inquiry: de kaarten worden opnieuw getoond en de reacties van de persoon worden
bijgehouden. Hier wordt een score aan gegeven. De score is afhankelijk van 5 dimensies:
- a) locatie: waar je het ziet
- b) determinant: wat bepaalde het antwoord
- c) form quality: in welke mate komt het antwoord overeen met de kenmerken van de
stimulus,
- d) frequency of occurence: was het antwoord populair of origineel.
1
TAAK 7: PROJECTIETEST – LEITMOTIV of PEJORATIEF
Kaplan H14 – projective personality tests
The projective hypothesis
Projective hypothesis = zegt dat wanneer mensen proberen om een vage stimulus te
begrijpen, hun interpretatie van die stimulus te maken heeft met hun gevoelens, noden,
ervaringen, gedachten, … Je ziet dus eigenlijk een reflectie van je innerlijke geest.
The Rorschach inkblot test
Historical antecedents
Kerner zag in 1857 dat mensen vaak een persoonlijke mening gaven aan het zien van een
inkblot, bleek dus dat niet iedereen die vlek/stimulus op eenzelfde manier interpreteerde.
Hierdoor gingen ze deze gebruiken om mensen te bestuderen. Binet ging deze gebruiken om
persoonlijkheidsstoornissen te onderzoeken. Het unieke aan Rorschach is dat deze die inkblots
ging gebruiken om psychologische stoornissen te identificeren. Hij schreef ook het boek
Psychodiagnostik. Mensen waren heel kritisch en sceptisch hierover toen het idee naar de VS
gebracht werd (door Levy). Beck, Hertz, Klopfer, Piotrowski en Rapaport speelden elk een
belangrijke rol om de Rorschach inkblot test bekend en populair te maken doorheen heel de
wereld. Elk van deze experts had een eigen manier van het interpreteren en scoren waardoor
nog steeds onenigheden zijn over de test.
Stimuli, administration and interpretation
De test bestaat uit kaarten met een stimulus op, deze verkreeg hij door inkt op een stuk papier
te laten vallen en het te vouwen. Hij deed dit vaak tot er 20 over bleven. Het is een individuele
test, dus je moet iedere kaart aan de persoon laten zien. Er wordt gewoon gevraagd ‘wat zie je
hier’. Vaak zit onderzoeker langs de proefpersoon zodat deze niet beïnvloed wordt door
gezichtsuitdrukkingen. De onderzoeker mag niks vertellen over het doel of hoe je zo’n stimulus
moet interpreteren, het blijft allemaal heel vaag voor de proefpersoon. Het doel hiervan is dat
het antwoord ook echt alleen van de proefpersoon zelf komt.
Iedere kaart wordt 2x getoond:
1) Free-association phase: de kaarten worden een per keer getoond. Elk woord en geluid
wordt opgenomen en checkt ook hoe lang het duurt voordat de proefpersoon antwoord bij
iedere kaart (reactietijd) en de positie van de kaart (ondersteboven, opzij). In deze fase mag
je dus gewoon alles zeggen wat in je opkomt
2) Inquiry: de kaarten worden opnieuw getoond en de reacties van de persoon worden
bijgehouden. Hier wordt een score aan gegeven. De score is afhankelijk van 5 dimensies:
- a) locatie: waar je het ziet
- b) determinant: wat bepaalde het antwoord
- c) form quality: in welke mate komt het antwoord overeen met de kenmerken van de
stimulus,
- d) frequency of occurence: was het antwoord populair of origineel.
1