COO 2 INTRACELLULAIRE COMPARTIMENTEN EN TRANSPORT BEHORENDE BIJ CH15
1000 tot 10.000 prokaryote cellen hebben hetzelfde volume als één eukaryote cel. Deze hebben
samen veel meer plasmamembraan dan één eukaryote cel.
Door het vormen van interne membranen en plooiing en instulping van de membraan wordt de
verhouding membraan-oppervlak/celinhoud gunstiger. Pooling en instulping zijn algemene
verschijnselen in biologische organismen om de interatie en transportcapaciteit te vergroten.
, Eiwitten kunnen op verschillende manieren in een specifiek celcompartiment terechtkomen. Soms is
hier een specifieke eiwittranslocator bij betrokken, gelegen in de membraan van het compartiment.
Dit is het geval bij transmembraan-transport. Eiwit-translocator verplaatsen het eiwit door de
membraan heen. Bij porie-transport is geen translocator betrokken omdat er al een permanente
opening is. Bij blaasjes-transport ook niet omdat er geen membraan gepasseerd wordt: blaasjes met
de te transporteren moleculen worden afgesnoerd en versmelten met de membraan van een ander
compartiment.
Bij porie-transport en blaasjes-transport is er sprake van transport tussen twee topologisch verwante
(op elkaar lijkende) compartimenten. Bij transmembraantransport worden moleculen vanuit het
compariment (bv cytosol) naar een ander getranslokeerd (bv het RER). Deze compartimenten zijn
toplogisch niet verwant. Het lumen van het gogli is verwant met het extern milieu. Bij poriën is er een
open verbinding en zijn de compartimenten dus topologisch wel verwant. Blaasjes transporteren
moleculen tussen topologisch verwante compartimenten, die ruimtelijk zijn gescheiden. Alleen bij
transmembraan transport zijn de compartimenten dus toplogisch niet verwant.
Alle transport vanaf het ER naar andere organellen, en vanaf de plasmamembraan is
blaasjestransport.
Transport van eiwitten naar mitochrondriën en chloroplasten vindt plaats via transmembraan-
transport: post-translationeel. Via dit transmembraan-transport worden eiwitten vanuit het
cytoplasma getransporteerd. Dit gebeurd pas als het eiwit helemaal klaar is, dus post-translationeel.
Als het eiwit klaar is gaat op een speciale plek door de membraan. Daar waar de binnenmembraan
en de buitenmembraan dicht bij elkaar komen kunnen contact-sites worden gevormd waar eiwitten
kunnen worden geïmporteerd.
Bij transmembraan-transport naar het ER is sprake van co-translationeel transport.
Eiwitsortering mitochondriën
Transport van eiwitten naar mitochondriën en chloroplasten vindt plaats via transmembraan-
transport. Dit eiwit is in het cytoplasma gesynthetiseerd en moet nu naar de matrix van het
mitochondrium via een contact site. De signaalsequentie op het eiwit wordt door een receptor in de
buitenmembraan herkend en hecht daaraan. In het binnenmembraan bevinden zich ook
eiwittranslocator-compelxen. Via difussie wordt het complex getransporteerd naar een contact site.
1000 tot 10.000 prokaryote cellen hebben hetzelfde volume als één eukaryote cel. Deze hebben
samen veel meer plasmamembraan dan één eukaryote cel.
Door het vormen van interne membranen en plooiing en instulping van de membraan wordt de
verhouding membraan-oppervlak/celinhoud gunstiger. Pooling en instulping zijn algemene
verschijnselen in biologische organismen om de interatie en transportcapaciteit te vergroten.
, Eiwitten kunnen op verschillende manieren in een specifiek celcompartiment terechtkomen. Soms is
hier een specifieke eiwittranslocator bij betrokken, gelegen in de membraan van het compartiment.
Dit is het geval bij transmembraan-transport. Eiwit-translocator verplaatsen het eiwit door de
membraan heen. Bij porie-transport is geen translocator betrokken omdat er al een permanente
opening is. Bij blaasjes-transport ook niet omdat er geen membraan gepasseerd wordt: blaasjes met
de te transporteren moleculen worden afgesnoerd en versmelten met de membraan van een ander
compartiment.
Bij porie-transport en blaasjes-transport is er sprake van transport tussen twee topologisch verwante
(op elkaar lijkende) compartimenten. Bij transmembraantransport worden moleculen vanuit het
compariment (bv cytosol) naar een ander getranslokeerd (bv het RER). Deze compartimenten zijn
toplogisch niet verwant. Het lumen van het gogli is verwant met het extern milieu. Bij poriën is er een
open verbinding en zijn de compartimenten dus topologisch wel verwant. Blaasjes transporteren
moleculen tussen topologisch verwante compartimenten, die ruimtelijk zijn gescheiden. Alleen bij
transmembraan transport zijn de compartimenten dus toplogisch niet verwant.
Alle transport vanaf het ER naar andere organellen, en vanaf de plasmamembraan is
blaasjestransport.
Transport van eiwitten naar mitochrondriën en chloroplasten vindt plaats via transmembraan-
transport: post-translationeel. Via dit transmembraan-transport worden eiwitten vanuit het
cytoplasma getransporteerd. Dit gebeurd pas als het eiwit helemaal klaar is, dus post-translationeel.
Als het eiwit klaar is gaat op een speciale plek door de membraan. Daar waar de binnenmembraan
en de buitenmembraan dicht bij elkaar komen kunnen contact-sites worden gevormd waar eiwitten
kunnen worden geïmporteerd.
Bij transmembraan-transport naar het ER is sprake van co-translationeel transport.
Eiwitsortering mitochondriën
Transport van eiwitten naar mitochondriën en chloroplasten vindt plaats via transmembraan-
transport. Dit eiwit is in het cytoplasma gesynthetiseerd en moet nu naar de matrix van het
mitochondrium via een contact site. De signaalsequentie op het eiwit wordt door een receptor in de
buitenmembraan herkend en hecht daaraan. In het binnenmembraan bevinden zich ook
eiwittranslocator-compelxen. Via difussie wordt het complex getransporteerd naar een contact site.