Geologie, geomorfologie en reliëf
Fluviatiele afzettingen:
Materiaal dat door rivieren of stromend water is aangevoerd en daarin
bezonken
Verhang:
Relatieve hoogteverschil van een watergang uitgedrukt in m/km.
Verval:
Hoeveel meter de rivier naar beneden gaat.
Reliëf:
Het geheel van hoogtes en laagtes in het landschap.
Keileem:
Een grondsoort bestaande uit een ongesorteerd mengsel van keien, grind,
zand, klei en leem.
Glaciofluviale afzettingen:
Grove smeltwaterafzettingen zoals zand en grind, afgezet in dalen.
Meander:
De Natuurlijke loop van rivieren, die door landschappen heen kronkelen.
Terrassen:
Landvorm die ontstaat als een restant van een vroegere riviervlakte.
Terrassenkruising:
Geografische zone waar een gebied met netto-insnijding overgaat in een
gebied met netto-sedimentatie.
Lithologie:
Gesteentekunde, in de geologie wordt de term gebruikt om aan te geven
met wat voor soort steen men te maken heeft.
Rivierduin:
Een duin dat ontstaan is door zandafzetting door een rivier.
De afzettingen van de grote rivieren (de Rijn en Maas) kunnen worden
onderverdeeld in stroomgrodelafzettingen (bestaande uit zand en zavel)
en komafzettingen (zware klei, soms met veenlagen). Daarnaast worden
crevasse-afzettingen (bestaande uit zand, zavel en klei) en
dijkdoorbraakafzettingen (zand of zandige klei, vaak met een bijmenging
van grind) onderscheiden.
De hoogte verschillen tussen stroomgordels en kommen zijn gering.
Desondanks geven de verschillen in hoogteligging, lithologie en
waterhuishouding aanleiding tot belangrijke verschillen in landgebruik.