Vraag 1
Als de arm in supinatie stand staat, geeft de m. biceps brachii primair:
a. flexie in de elleboog
b. pronatie
c. supinatie
d. anteflexie in de schouder
Vraag 2
Een HNP (hernia nuclei pulposi) komt het meest frequent voor
a. cervicaal
b. thoracaal
c. lumbaal
d. sacraal
Vraag 3
Het slecht op de tenen kunnen staan wijst op een laesie van de
a. n. tibialis
b. n. peroneus superficialis
c. n. peroneus profundus
d. n. saphenus
Vraag 4
Bij een jongen van 6 jaar, die niet kan hardlopen, en niet goed kan opstaan
van de grond, wordt bij onderzoek een proximale parese van de benen met
bolle kuiten gevonden. Het eerst aangewezen aanvullend onderzoek is:
a. spierbiopt
b. geleidingsonderzoek
c. CK bepaling in de liquor
d. CK bepaling in bloed
Vraag 5
De juiste volgorde in de opbouw van de plexus brachialis van ruggenmerg
naar perifere zenuw is:
a. radix ventralis; fasciculus; truncus; ramus ventralis
b. ramus ventralis; truncus; radix; fasciculus
c. fasciculus; ramus ventralis; truncus; radix
d. radix ventralis; ramus ventralis; truncus; fasciculus
Vraag 6
Aan de epicondylus lateralis humeri hecht(en):
a. flexoren voor pols en vingers
b. extensoren voor pols en vingers
c. de m. biceps brachii
e. m. coracobrachialis
Vraag 7