bloedplasma. Voor de rest (45%) bestaat bloed uit rode bloedcellen, witte
bloedcellen en bloedplaatjes.
Bloedplasma bestaat voor 7% uit eiwitten (plasma-eiwitten) en voor 91%
uit water. De rest van het bloedplasma bestaat uit stoffen die in het water
zijn opgelost (onder andere zouten).
Een van de plasma-eiwitten is fibrinogeen, die vervult een functie bij de
bloedstolling.
Bloedplasma vervoert vele stoffen, zoals zuurstof (een klein beetje),
voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen van zuurstof.
Rode bloedcellen(erytrocyten=rode holten) hebben de vorm van kleine ronde schijfjes. Rode bloedcellen
worden gemaakt in het beenmerg van je botten. Ze zijn in het midden iets dunner dan aan de rand. Rode
bloedcellen hebben geen celkern. Per mm3 bloed komen gemiddeld 5.000.000 rode bloedcellen voor. Rode
bloedcellen vervoeren vooral zuurstof (en een klein beetje koolstofdioxide). Ze bevatten een rode kleurstof:
hemoglobine. Hierdoor kunnen de rode bloedcellen gemakkelijk zuurstof opnemen en afgeven. In de longen
nemen rode bloedcellen zuurstof op, in andere organen geven de rode bloedcellen zuurstof af.
Bloedarmoede: het bloed bevat te weinig rode bloedcellen of te weinig hemoglobine (door bijv. te weinig
ijzerzouten). Gevolgen: zwak en moe voelen.
Witte bloedcellen(leukocyten=witte cellen) hebben een celkern. Ze worden gemaakt in het beenmerg. Ze
hebben geen vast vorm waardoor ze door kleine openingen in de wand van de kleinste bloedvaten heen
kunnen. Witte bloedcellen maken ziekteverwekkers onschadelijk. Een bepaald type witte bloedcellen doet dat
door ziekteverwekkers in te sluiten. De witte bloedcellen gaan hierbij meestal ook dood. Dit gebeurt
bijvoorbeeld als de wond is ontstoken. De etter of pus uit een wond bestaat uit dode witte bloedcellen en
gedode bacteriën. Andere typen witte bloedcellen bestrijden ziekteverwekkers op andere manieren. Per mm 3
bloed komen gemiddeld 7.000 witte bloedcellen voor.
Functie: afweer tegen ziekteverwekkers door insluiting of door antistoffen te maken.
Bloedplaatjes(trombocyten=klontercellen) zijn geen echte cellen, maar
delen van uiteengevallen cellen. Ze hebben geen celkern. Bloedplaatjes
worden gemaakt in het beenmerg. Per mm3 komen gemiddeld 300.000
bloedplaatjes voor. Bloedplaatjes spelen een rol bij bloedstolling. Ze
bevatten stoffen die ervoor zorgen dat het bloed buiten de bloedvaten stolt.
Bij deze bloedstolling speelt ook bloedplasma een rol. Soms kan het bloed
ook binnen de bloedvaten stollen. Er ontstaat dan een bloedprop in een
bloedvat. Dit wordt trombose genoemd. Soms kan zo’n bloedprop een
bloedvat afsluiten, waardoor het bloed niet verder kan stromen.
Het bloedvatenstelsel van de mens bestaat uit het hart en de bloedvaten. Door het
hele lichaam lopen grote en kleine bloedvaten. Het hart pompt het bloed door de
bloedvaten. De weg die het bloed door het lichaam aflegt, noemen we de
bloedsomloop. Het overgrote deel van het bloed blijft tijdens het transport door het
hele lichaam binnen de bloedvaten. Daarom heet dit een gesloten bloedvatenstelsel.
Het hart bestaat uit twee helften: de rechterharthelft en de linkerharthelft. De
harthelften zijn van elkaar gescheiden door een tussenwand.
Het hart is een dubbele pomp. De rechterhelft van het hart pompt het bloed naar de
rechterlong en de linkerlong. Vanuit de beide longen stroomt het bloed weer terug
naar het hart. Dit deel van de bloedsomloop heet de kleine bloedsomloop. In de kleine
bloedsomloop wordt zuurstof opgenomen in het bloed en koolstofdioxide afgegeven
aan de lucht. Dit gebeurt in de longen.
Hart-longen-hart