Paragraaf 2.1
Moleculen: Kleine deeltjes waaruit een stof bestaat
- Bepalen de eigenschappen van een stof
Model: Een beeld voor je zien wat moleculen doen en hoe ze elkaar beïnvloeden
Deeltjesmodel: De belangrijkste eigenschappen van moleculen
- De moleculen van een stof veranderend niet (in alle fases)
- De moleculen van een stof bewegen altijd (hoe warmer hoe meer)
- De moleculen van een stof trekken elkaar aan (hoe dichtbij hoe meer kracht)
Fase: Toestand waarin een stof voorkomt
- Gas, vloeistof en vaste stof
Faseovergang: Verandering van fase van eens stof
Vaste stof: Moleculen hebben een vaste plaats
- Trillen voortdurend
- Kleine afstand grote aantrekkingskracht
Vloeistof: Moleculen bewegen langs en door elkaar heen (geen vaste plaats)
- Aantrekkingskracht kleiner dan vaste stof (genoeg om bij elkaar te houden)
Gas: Moleculen bewegen los van elkaar
- Grote afstand tussen de moleculen kleine aantrekkingskracht
- Makkelijk samenpersen
Verdampen: Moleculen gaan sneller bewegen moleculen ontsnappen
- Hogere tempratuur sneller bewegen moleculen ontsnappen makkelijker meer verdamping
Smelten: Tempratuur stijgt heftige trillen grotere afstand aantrekkingskracht neemt af bij
het smeltpunt is de aantrekkingskracht te klein met de moleculen om hun plaats te houden
, Lucht: Mengel van verschillende gassen
- Bestaat uit meerdere moleculen (grotendeels stikstofmoleculen, zuurstofmoleculen en
watermoleculen)
Waterdamp: Gasvormige fase van water
- Kan je makkelijk vloeibaar maken Condenseren
Rijpen: Waterdamp veranderd in ijs zonder eerst vloeibaar te worden
Paragraaf 2.2
Luchtdruk: Druk die lucht op de aarde en je lichaam uitoefent
- Hoe hoger je in de atmosfeer komt hoe hoger de luchtdruk
Barometer: Hiermee kun je moeten hoe groot de luchtdruk is
- 1 bar = 1000 mbar = 100.000 Pa
- Weer voorspellen
- Hoogtemeter: hoe hoger je bent hoe minder lucht er boven je is
Lagedrukgebied: Wanneer de luchtdruk lager is dan in de omgeving
- Wind en neerslag
Hogedrukgebied: Wanneer de luchtdruk hoger is dan in de omgeving
- Zonnig en rustig
Je merkt weinig van de lucht druk door de holle ruimtes in je lichaam
- Neusholte, mondholte keelholte en longen zijn met lucht gevuld zorgen voor tegendruk
Paragraaf 2.3
Vloeistofthermometer: Maakt gebruik van het in en uitzetten van vloeistof (vaak alcohol)
- Heeft een reservoir, stijgbuis en schaalverdeling
IJken: Schaalverdeling maken
Bimetaal: Bestaat ui 2 strips van verschillende metalen die aan elkaar zitten
- Als de tempratuur stijgt/daalt zet de ene strip sterker uit dan de ander (buitenbocht) en wordt krom
- Kan zo een wijzer in beweging brengen
Elektronische thermometer: Bevat een schakeling die reageert op tempratuur
Als de tempratuur stijgt dan de moleculen in een gasdruk sneller bewegen
Absolute nulpunt: -273C (laagst mogelijke tempratuur)
- De tempratuur is zo laag dar de moleculen tot stilstand komen
Kevinschaal: C K = +273 / K C = -273