Samenvatting klinisch
redeneren, AFP leerjaar 1,
leerpakket 4
Klinisch redeneren
Kernset patiënten problemen
Op vier gebieden:
1. Lichamelijk
2. Psychisch
3. Functionele
4. Sociale
Organisatie GGZ
1. Sociale wijkteam (WMO)
- Georganiseerd vanuit de gemeente
- Maatschappelijke ondersteuning dicht bij de burger
- Gemeente kantoor of ambulant bij mensen thuis
2. Bemoeizorg
- Georganiseerd vanuit de gemeente
- actief opsporen van mensen met problemen
- Toeleiden naar een passende zorg
- Outreach: zelf opzoek naar cliënten
3. POH-GGZ
- Praktijk ondersteunend hulpverlener bij de huisarts
- Taak: triage -> doorverwijzing naar de juiste hulpverlener
- Behandelingen van laag psychische klachten met weinig risico op gevaar
4. Basis GGZ
- Poliklinische behandeling met een afgebakende duur
,- Ingedeeld in vier clusters: kort – middel – intensief –chronisch
- Behandeling van eenduidige psychische stoornissen met laag risico op gevaar
5. Specialistische GGZ
- Intensieve ambulante begeleiding of klinische opname
- Zorg voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen
- Outreach: zelf actief benaderen van cliënten
6. Intensieve thuiszorg (IHT)
- Werkwijze lijkt veel op bemoeizorg, specifiek voor GGZ
- Crisis voorkomen
- Toeleiden naar passende vormen van zorg
- Outreach: zelf benaderen van cliënten
- Relatief kortdurende trajecten
7. Klinisch intensieve behandeling
- Volledige behandeling in kliniek
- Herstel ondersteunen
- Multidisciplinair team
8. Flexibele assertive community treatment
- Langdurig ambulante behandeling
- Herstel ondersteunen met laag risico op gevaar
- Regelmatige huisbezoeken
- Multidisciplinair
9. High intensive care
- Kortdurende klinische behandeling
- Reduceren risico op gevaar
- Zorg onder dwang
- Multidisciplinair team
10. Active recovery triade
- langdurig beschermd/begeleid wonen
- Intensieve begeleiding
Angst en angststoornissen
Angst = een normale reactie op een angstopwekkende prikkel. Het is een emotie.
Pathologische angst = wanneer er na een angstprikkel en ongewoon heftige of langdurige angst
ontstaat.
Angststoornis = psychiatrische aandoening waarbij pathologische angst het belangrijkste symptoom
is.
Anticipatie-/vermijdingsangst = als angst ertoe leidt dat een persoon bijvoorbeeld het huis niet meer
uit durft om een angstvolle situatie te vermijden.
Argorafobie = angst in situaties waarin vluchten lastig is en hulp niet snel beschikbaar is.
Sociale angststoornis = vrees om zichzelf in allerlei sociale situaties belachelijk te maken, kritiek van
anderen te krijgen of niet goed aan de eisen te kunnen voldoen die de situatie stelt. Ontstaat
meestal in de kinderjaren.
Gegeneraliseerde angststoornis = het overmatig zorgen maken over een aantal gebeurtenissen en
activiteiten zonder dat daarvoor aanleiding bestaat, samen met chronische angst en
zenuwachtigheid. Ontstaat vaak in de puberteit.
Specifieke fobie = extreme aanhoudende angst voor en vermijding van bepaalde objecten en
situaties zijn de kenmerken van een specifieke fobie. Er wordt een onderverdeling gemaakt op basis
van situaties of objecten waarvoor de patiënt bang is.
, 3 soorten angststoornissen:
1. Angststoornissen
a. Paniekstoornis
b. Agorafobie
c. Specifieke fobie
d. Sociale angststoornis
e. Gegeneraliseerde angststoornis
2. Obsessief-compulsieve en verwante stoornissen
a. Verzamelstoornis
3. Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen
a. Reactieve hechtingstoornis
b. Posttrauma stressstoornis
c. Acute stressstoornis
Paniekstoornis = de paniekaanvallen zijn onverwachts, blijven zich herhalen, als er minimaal één
maand bezorgdheid bestaat over een volgende paniekaanval of over de gevolgen van de aanval, of
wanneer er een maladaptieve gedragsverandering plaatsvindt in samenhang met de
paniekaanvallen, zoals het vermijden van angstwekkende situaties.
Paniekaanval = een begrensde periode van intense angst of een sterk gevoel van onbehagen, waarbij
ten minste vier van de volgende symptomen plotseling ontstaan en binnen tien minuten een
maximum bereiken.
Kenmerken paniekaanval:
- Komt zeer plotseling op
- Bereikt binnen 10 minuten een hoogtepunt
- Neemt daarna geleidelijk in heftigheid af
- Erna kan een langer durend onbestemd gevoel van gespannenheid blijven bestaan
- Symptomen: pijn op borst, hartkloppingen, ademnood, naar lucht snakken, transpireren,
koude rillingen, misselijkheid, trillen, duizeligheid, derealisatie, vrees om dood te gaan.
Erfelijkheid = familieleden van iemand met een angststoornis hebben een grotere kans om dezelfde
angststoornis te krijgen.
Behandeling van angststoornissen:
Begint met psycho-educatie = het benoemen van de stoornis, uitleg geven over de verschijnselen en
het vorkomen van de aandoening, etiologische en pathogenetische factoren, en de vaak irrationele
gedachten van de patiënt. Via gedragstherapie en/of medicatie.
Herstel ondersteunende zorg = het herstelproces van de patiënt wordt bevorderd door zorg te
dragen voor en palet aan herstel bevorderende activiteiten, faciliteiten, attitudes en gedragingen.
Angst
= Een vaag gevoel van onbehagen of onveiligheid, vergezeld van een autonome response.
2 soorten angst:
1. Fear = direct gevaar
2. Anxiety = onzeker gevaar
redeneren, AFP leerjaar 1,
leerpakket 4
Klinisch redeneren
Kernset patiënten problemen
Op vier gebieden:
1. Lichamelijk
2. Psychisch
3. Functionele
4. Sociale
Organisatie GGZ
1. Sociale wijkteam (WMO)
- Georganiseerd vanuit de gemeente
- Maatschappelijke ondersteuning dicht bij de burger
- Gemeente kantoor of ambulant bij mensen thuis
2. Bemoeizorg
- Georganiseerd vanuit de gemeente
- actief opsporen van mensen met problemen
- Toeleiden naar een passende zorg
- Outreach: zelf opzoek naar cliënten
3. POH-GGZ
- Praktijk ondersteunend hulpverlener bij de huisarts
- Taak: triage -> doorverwijzing naar de juiste hulpverlener
- Behandelingen van laag psychische klachten met weinig risico op gevaar
4. Basis GGZ
- Poliklinische behandeling met een afgebakende duur
,- Ingedeeld in vier clusters: kort – middel – intensief –chronisch
- Behandeling van eenduidige psychische stoornissen met laag risico op gevaar
5. Specialistische GGZ
- Intensieve ambulante begeleiding of klinische opname
- Zorg voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen
- Outreach: zelf actief benaderen van cliënten
6. Intensieve thuiszorg (IHT)
- Werkwijze lijkt veel op bemoeizorg, specifiek voor GGZ
- Crisis voorkomen
- Toeleiden naar passende vormen van zorg
- Outreach: zelf benaderen van cliënten
- Relatief kortdurende trajecten
7. Klinisch intensieve behandeling
- Volledige behandeling in kliniek
- Herstel ondersteunen
- Multidisciplinair team
8. Flexibele assertive community treatment
- Langdurig ambulante behandeling
- Herstel ondersteunen met laag risico op gevaar
- Regelmatige huisbezoeken
- Multidisciplinair
9. High intensive care
- Kortdurende klinische behandeling
- Reduceren risico op gevaar
- Zorg onder dwang
- Multidisciplinair team
10. Active recovery triade
- langdurig beschermd/begeleid wonen
- Intensieve begeleiding
Angst en angststoornissen
Angst = een normale reactie op een angstopwekkende prikkel. Het is een emotie.
Pathologische angst = wanneer er na een angstprikkel en ongewoon heftige of langdurige angst
ontstaat.
Angststoornis = psychiatrische aandoening waarbij pathologische angst het belangrijkste symptoom
is.
Anticipatie-/vermijdingsangst = als angst ertoe leidt dat een persoon bijvoorbeeld het huis niet meer
uit durft om een angstvolle situatie te vermijden.
Argorafobie = angst in situaties waarin vluchten lastig is en hulp niet snel beschikbaar is.
Sociale angststoornis = vrees om zichzelf in allerlei sociale situaties belachelijk te maken, kritiek van
anderen te krijgen of niet goed aan de eisen te kunnen voldoen die de situatie stelt. Ontstaat
meestal in de kinderjaren.
Gegeneraliseerde angststoornis = het overmatig zorgen maken over een aantal gebeurtenissen en
activiteiten zonder dat daarvoor aanleiding bestaat, samen met chronische angst en
zenuwachtigheid. Ontstaat vaak in de puberteit.
Specifieke fobie = extreme aanhoudende angst voor en vermijding van bepaalde objecten en
situaties zijn de kenmerken van een specifieke fobie. Er wordt een onderverdeling gemaakt op basis
van situaties of objecten waarvoor de patiënt bang is.
, 3 soorten angststoornissen:
1. Angststoornissen
a. Paniekstoornis
b. Agorafobie
c. Specifieke fobie
d. Sociale angststoornis
e. Gegeneraliseerde angststoornis
2. Obsessief-compulsieve en verwante stoornissen
a. Verzamelstoornis
3. Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen
a. Reactieve hechtingstoornis
b. Posttrauma stressstoornis
c. Acute stressstoornis
Paniekstoornis = de paniekaanvallen zijn onverwachts, blijven zich herhalen, als er minimaal één
maand bezorgdheid bestaat over een volgende paniekaanval of over de gevolgen van de aanval, of
wanneer er een maladaptieve gedragsverandering plaatsvindt in samenhang met de
paniekaanvallen, zoals het vermijden van angstwekkende situaties.
Paniekaanval = een begrensde periode van intense angst of een sterk gevoel van onbehagen, waarbij
ten minste vier van de volgende symptomen plotseling ontstaan en binnen tien minuten een
maximum bereiken.
Kenmerken paniekaanval:
- Komt zeer plotseling op
- Bereikt binnen 10 minuten een hoogtepunt
- Neemt daarna geleidelijk in heftigheid af
- Erna kan een langer durend onbestemd gevoel van gespannenheid blijven bestaan
- Symptomen: pijn op borst, hartkloppingen, ademnood, naar lucht snakken, transpireren,
koude rillingen, misselijkheid, trillen, duizeligheid, derealisatie, vrees om dood te gaan.
Erfelijkheid = familieleden van iemand met een angststoornis hebben een grotere kans om dezelfde
angststoornis te krijgen.
Behandeling van angststoornissen:
Begint met psycho-educatie = het benoemen van de stoornis, uitleg geven over de verschijnselen en
het vorkomen van de aandoening, etiologische en pathogenetische factoren, en de vaak irrationele
gedachten van de patiënt. Via gedragstherapie en/of medicatie.
Herstel ondersteunende zorg = het herstelproces van de patiënt wordt bevorderd door zorg te
dragen voor en palet aan herstel bevorderende activiteiten, faciliteiten, attitudes en gedragingen.
Angst
= Een vaag gevoel van onbehagen of onveiligheid, vergezeld van een autonome response.
2 soorten angst:
1. Fear = direct gevaar
2. Anxiety = onzeker gevaar