Samenvatting BS1 t/m BS6
1. De bouw en functie van DNA
Het genoom
• DNA (desoxyribonucleïnezuur) bevat de informatie voor de erfelijke
eigenschappen van een levende cel (zit in de celkern)
– het DNA bepaalt de functie van een cel en de instructies waarmee ribosomen
verschillende soorten eiwitten kunnen synthetiseren. De bouw van die eiwitten
bepaalt de eigenschappen en functie van het eiwit (bijv. oogkleur, bloedgroep)
• Genoom: het geheel aan erfelijke informatie in een cel van een organisme.
– Bij eukaryoten: al het DNA in alle chromosomen in de celkern (kernDNA) en
het DNA in celorganellen -> DNA in mitochondriën (mtDNA) en DNA in
bladgroenkorrels. Deze zijn onafhankelijk van de rest van de cel en gebruiken
de informatie die vastligt in hun eigen DNA.
– Bij prokaryoten: al het DNA dat los in het cytoplasma van de cel voorkomt ->
ze hebben een circulaire DNA-streng en sommige prokaryoten bezitten
plasmiden = korte stukjes cirkelvormig DNA.
Celkern
DNA
De bouw van DNA
Een DNA-molecuul is een nucleïnezuur en is opgebouwd uit twee ketens van
aan elkaar gekoppelde nucleotiden.
- Een nucleotide bestaat uit de monosacharide desoxyribose,
een fosfaatgroep en een stikstofbase.
- In DNA komen vier stikstofbasen voor:
adenine (A), cytosine (C), guanine (G) en thymine (T).
,Enkelstrengs DNA: lange nucleotideketen van afwisselend
aan elkaar gekoppelde monosachariden en fosfaatgroepen.
• Een DNA-molecuul bestaat uit 2 nucleotideketens, die in een helixstructuur
(= spiraalvorm) om elkaar gewonden liggen.
– De stikstofbasen steken aan de zijkant uit de keten, waardoor ze met elkaar
verbonden worden door basenparing.
– De stikstofbasen vormen vaste paren: adenine (A) vormt een basenpaar met
thymine (T) en cytosine (C) met guanine (G).
– Door basenparing ontstaat dubbelstrengs DNA (twee nucleotideketens die
door waterstofbruggen aan elkaar gebonden zijn).
Enkelstrengs DNA Dubbelstrengs DNA
Bij eukaryoten bestaat een chromosoom uit één lang dubbelstrengs DNA-
molecuul dat rond eiwitten is gewikkeld. De DNA-molecuul kan strakker of
losser worden opgerold, afhankelijk van de fase van de celcyclus waarin de cel
zich verkeert.
, DNA-sequentie
Sequentie: de volgorde waarin nucleotiden in een DNA-molecuul zijn
gerangschikt.
• Gen: een deel van een DNA-molecuul dat de code (DNA-sequentie) bevat
waarmee ribosomen een of meer eiwitten kunnen synthetiseren.
– Dit wordt ook wel coderend DNA genoemd
– Door variaties in de DNA-sequentie zullen ribosomen verschillende soorten
eiwitten synthetiseren.
Niet-coderend DNA
Bij sommige eukaryoten bestaat maar een klein deel van het DNA in een cel uit
genen. Het overige DNA codeert niet voor eiwitten. Ook binnen genen worden
stukken coderend DNA afgewisseld met stukken DNA-sequentie zonder code.
Niet coderend DNA: grote delen van DNA coderen niet voor eiwitten.
Een deel daarvan:
– codeert voor andere moleculen. Deze moleculen hebben een regulerende
functie bij de synthese van eiwitten
– bestaat uit repetitief DNA: herhalingen van korte nucleotidesequenties
– bestaat uit genen die hun functie hebben verloren