uit het 1e jaar van de HBO opleiding
Huidtherapie. Alle theoretische vakken
zijn samengevat en verbonden in 1
document. In dit document zit belangrijke
informatie verwerkt die kan helpen bij het
leren voor de Testvision van blok A1.
Ook bevat dit document met 35 pagina’s
aanwijzingen voor testvision, uitleg en
plaatjes die bepaalde aspecten van de
theorie beter in beeld kunnen brengen.
Samenvatting
Blok A1
HBO Opleiding Huidtherapie
Jaar 1
, Samenvatting Blok A1.
C-ANFY (HB) Cellen & weefsels + Homeostase & milieu interieur
Vrouw: XX chromosoom
Man: XY chromosoom
Geslachtscel: 23 chromosomen
De kleinste eenheid die zelfstandig kan leven is de cel.
Alle levende dingen zijn opgebouwd uit cellen
Cellen zijn bouwstenen voor de structuur en de functie van levende wezens
Alle cellen zijn het product van andere cellen
Cel differentiatie
Dit is een proces waarbij specifieke cellen zich dusdanig ontwikkelen waardoor zij een specifieke functie
kunnen uitvoeren (voorbeeld: bloedcellen deze hebben één functie en worden steeds opnieuw aangemaakt).
Gespecialiseerde cellen
Rode bloedcellen (zuurstof)
Bloedcellen
Neuronen
Spiercellen (lang en elastisch)
Zenuwcellen (kunnen lange uitlopers hebben)
Eicel met zaadcellen
Opbouw cellen
Celmembraan
- Bestaat uit een dubbele laag van fosfolipiden waarin
eiwitmoleculen drijven, hoofd (hydrofiel), staart
(hydrofoob)
- Celmembraan vormt een scheiding tussen het
cytoplasma (intracellulaire ruimte) en de
extracellulaire ruimte
- Selectief in het doorlaten van stoffen
- Membraantransport: passief (geen energie), actief
(kost energie; ATP)
Celkern
- Het centrum van de cel waaruit alle processen worden gestuurd
- Kernmembraan met poriën (doorlaatbaar voor MRNA)
- Nucleolus (productie ribosomen)
- DNA (chromatine) genetisch bibliotheek voor proteïne opbouw (transcriptie)
- Elke celkern heeft 2 meter DNA dubbele helix
Cytoplasma
- Bestaat voor ¾ uit water, voedingsstoffen, mineralen, bevat organellen met een eigen functie
Organellen: met elk een eigen functie (testvision vraag!)
- Mitochondrieën, RER, ribosomen, golgi-apparaat, lysosomen, centrosomen
DNA (desoxyribonucleïnezuur): DNA = informatie over eiwitten
Chromatine (rustfase)
Chromosoom (celdeling, 1 chromosoom voor deling)
Chromatide (celdeling, 2 chromatiden na celdeling)
Belangrijke functies
Replicatie (nucleus): synthese/verdubbeling
Transcriptie (nucleus): van DNA naar MRNA
Translatie (ribosomen in RER): in ruw endoplasmatisch reticulum van
MRNA naar proteïne (eiwit)
Van elk chromosoom zijn er 2 (één van de vader, één van de moeder: homologe
chromosomen) (testvision vraag!). Dit wordt aangeduid met 2n. N is het aantal
verschillende chromosomen. Bij de mens is N; 23 de mens heeft dus 2N=
2x23=46 chromosomen.
Een cel bevat over het algemeen meerdere stellen chromosomen
Een cel met een enkel stel chromosomen heet haploïd (1n)
(geslachtscel)
Met een dubbel stel diploïd (2x23n) (geslaagde cel)
Een dierlijke cel is meestal diploïd, behalve de geslachtscellen gameten
die haploïd zijn.
Normale cellen: 2n = diploïd
Geslachtscellen: 1n = haploïd
2 samensmeltende geslachtscellen = diploïd
Chromosomen komen in paren voor, genen en allelen dus ook
Gen: onderdeel van chromosoom voor een bepaalde eigenschap, een
code