10.7 De Reformpedagogiek
In de 19e eeuw streefde men ernaar om het onderwijs zo efficiënt mogelijk te laten
verlopen. De leerlingen kregen tegelijkertijd dezelfde leerstof aangeboden die ze in
dezelfde tijd moesten verwerken, wie niet kon meekomen, moest alle leerstof nog een
jaar over doen. Dit was het systeem van de leerstofjaarklassen. Het onderwijs was in
die tijd nogal verbaal en leraar-gestuurd: de leerstof werd door de leraar en via
methodes overgedragen.
Als reactie hierop ontstond in het begin van de 20e eeuw een reactie op de school van
de vorige eeuw: de Reformpedagogiek. Kinderen moesten een eigen inbreng hebben
en op hun eigen wijze door de leerstof gaan. Naast de verbale inbreng van de leraar
kwam vooral het leren door te doen centraal te staan. Hierbij kun je denken aan
zelfstandig werken en zelf verantwoordelijkheid dragen.
Daarnaast hechtte de Reformpedagogiek veel waarde aan deze beginselen:
Aansluiten bij de leefwereld van het kind
De vorming van hoofd, hart en handen
Sociale vorming
Geen scheiding tussen school en maatschappij
Het doorbreken van vakkengesplitst onderwijs
Totaliteitsonderwijs
De vertrouwensrelatie tussen leraar en kinderen
In deze paragraaf worden 5 Reformpedagogen behandeld, die allemaal de
standpunten van de Reformpedagogiek in op hun eigen manier in een schoolsoort
hebben vertaald:
10.7.1) Het Dalton-onderwijs van Helen Parkhurst
10.7.2) Het Freinet-onderwijs van Célestin Freinet
10.7.3) Het Jenaplan-onderwijs van Peter Petersen
10.7.4) Het Montessori-onderwijs van Maria Montessori
10.7.5) De Vrije School van Rudolf Steiner
Deze schoolsoorten hebben een verzamelnaam: de traditionele vernieuwingsscholen.
Deze naam is tot stand gekomen in de tijd van het ontstaan van de basisschool.
Traditioneel is te wijten aan de visie waaruit alle Reformpedagogen werken en wordt
ook gebruikt om zich te onderscheiden van andere vernieuwingsscholen.