1. INLEIDING:
De KNGF-richtlijn Artrose Heup-Knie richt zich specifiek op artrose van de heup en/of de knie en niet
op artrose van andere gewrichten, zoals die van de wervelkolom of de handen. Knieartrose komt
vaker voor dan heupartrose.
De aandoening Heup-Knie Artrose:
Artrose is de meest voorkomende aandoening van het houding en bewegingsapparaat. Kenmerkend
bij artrose is:
Een langzaam en wisselend progressief verlies van gewrichtskraakbeen.
Er kunnen veranderingen van het subchondrale bot plaatsvinden.
Vorming van osteofyten.
Periodiek kan het synoviale membraan geprikkeld zijn, wat leidt tot gewrichtsontsteking.
Algemeen klinisch beeld:
1. Pijn Meest voorkomende symptoom. Treedt vooral op bij het starten van een beweging en bij
langdurig belasten. De pijn neemt toe naarmate de dag vordert. In latere fases ontstaat er ook pijn in
rust en nachtelijke pijnen.
2. Stijfheid Meestal ochtendstijfheid en startstijfheid. Verdwijnt na enkele minuten.
3. Osteofyten Zwellingen aan de gewricht randen die gevoelig zijn bij druk.
4. Intra-articulaire zwelling Hydrops of synovitis.
5. Crepitaties die gehoord en gevoeld worden.
Heupartrose:
Bij heupartrose zit de pijn meestal in de lies en aan de anterior/laterale zijde van de heup, soms in
het bovenbeen en uitstralend in de rest van het bovenbeen richting de knie. Verder is er sprake van
een verminderde beweging richting exorotatie, endorotatie en adductie. Spierkrachtverlies in de
abductie richting.
Knieartrose:
Bij Knie artrose zit de pijn meest in en rondom de knie, maar soms uitstralend richting het
bovenbeen en de heup. Soms ontstaat er in de heup of knie een ontstekingsreactie van het
synoviumsynovitis. Deze ontstekingsreactie kan pijn, zwelling en temperatuurverhoging in het
gewricht teweegbrengen.
Risicofactoren: Symptomen/signalen: Radiologische afwijkingen:
1. Leeftijd 1. Kniepijn 1. Osteofyten
2. GeslachtVrouw 2. Ochtendstijfheid 2. Versmalde gewrichtsspleet
3. Te hoge BMI25 of hoger 3. Functionele beperking 3. Subchondrale sclerose
4. WerkZwaar werk 4. Crepitaties 4. Subchondrale cysten
5. Artrose in de familie 5. Bewegingsbeperking
6. Letsel in voorgeschiedenis 6. Bot aangroei
7. Ras
8. Malignement in de knie
De risicofactoren die hierboven benoemd zijn noemen wij ook wel systemische factoren. Deze
bepalen de individuele gevoeligheid van het gewricht. Naast systemische factoren heb je in deze
richtlijn ook biomechanische factoren. Biomechanische factoren kunnen we onderverdelen in
Intrinsieke factoren en extrinsieke factoren.
Intrinsieke factoren zijn factoren die vanuit de patiënt zelf komen en invloed hebben op de
artrose. Dus in het geval van artrose gewrichtsaandoeningen, congenitale (aangeboren)
ziektes, spierzwakte, laxiteit, etc.