Samenvatting H2 - Inleiding organisatiekunde
2.1 inleiding
Een strategie geeft in grote lijnen de route aan die de organisatie of een onderdeel daarbinnen moet
volgen om de doelstellingen te bereiken.
Planning betekend nu aangeven wat in de toekomst moet gebeuren.
De organisatie zal moeten anticiperen op gebeurtenissen binnen de organisatie en daarbuiten
(omgeving extern).
Er zijn verschillende soorten planningen: (1) niveau, (2) tijdhorizon, (3) mate van detail en (4)
functioneel gebied.
Planning op niveau bestaat uit concern, werkmaatschappij, afdeling en product kansen en
dreigingen worden berekend per productgroep, targets worden vastgesteld en het assortiment wordt
uitgebreid.
Planning op tijdhorizon bestaat uit tijdsklokken: kort, middellang en lang acties of tijdelijke
uitbreiding van het assortiment.
Planning op mate van detail bestaat uit tactisch en strategisch geeft in grote lijnen aan hoe
doelstellingen behaald moeten worden.
Planning op functioneel gebied bestaat uit bedrijfsfuncties (afdelingen) die alle een eigen planning
maken.
2.2 het strategisch ondernemingsplan
in het strategisch ondernemingsplan worden de stappen beschreven die in de analysefase leiden tot
de keuze van een bepaalde strategie.
Een strategie geeft in grote lijnen de route aan die de organisatie of een onderdeel daarbinnen moet
volgen om de doelstellingen te bereiken.
In de planfase wordt de gekozen strategie verder uitgewerkt. Deze uitwerking heeft betrekking op alle
functionele onderdelen.
Het plan wordt ten slotte in de implementatiefase uitgevoerd. Tijdens de uitvoering zal een controle
plaatsvinden om te bezien of de geformuleerde doelstellingen bereikt worden. Wanneer dit niet het
geval is, zal er bijgestuurd moeten worden.
, Het topmanagement speelt een centrale rol in het strategisch proces op ondernemingsniveau. Als het
wil nagaan of binnen de organisatie alles goed verloopt, zal eerst de uitgangspositie (de bestaande
situatie) van de onderneming moeten worden vastgesteld.
Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van het businessdefinitionmodel van Abell (1980) hierin
worden de marktgrenzen afgebakend doormiddel van drie polen: de afnemers (wie), de behoeften
(wat) en de technologieën (hoe).
2.1 inleiding
Een strategie geeft in grote lijnen de route aan die de organisatie of een onderdeel daarbinnen moet
volgen om de doelstellingen te bereiken.
Planning betekend nu aangeven wat in de toekomst moet gebeuren.
De organisatie zal moeten anticiperen op gebeurtenissen binnen de organisatie en daarbuiten
(omgeving extern).
Er zijn verschillende soorten planningen: (1) niveau, (2) tijdhorizon, (3) mate van detail en (4)
functioneel gebied.
Planning op niveau bestaat uit concern, werkmaatschappij, afdeling en product kansen en
dreigingen worden berekend per productgroep, targets worden vastgesteld en het assortiment wordt
uitgebreid.
Planning op tijdhorizon bestaat uit tijdsklokken: kort, middellang en lang acties of tijdelijke
uitbreiding van het assortiment.
Planning op mate van detail bestaat uit tactisch en strategisch geeft in grote lijnen aan hoe
doelstellingen behaald moeten worden.
Planning op functioneel gebied bestaat uit bedrijfsfuncties (afdelingen) die alle een eigen planning
maken.
2.2 het strategisch ondernemingsplan
in het strategisch ondernemingsplan worden de stappen beschreven die in de analysefase leiden tot
de keuze van een bepaalde strategie.
Een strategie geeft in grote lijnen de route aan die de organisatie of een onderdeel daarbinnen moet
volgen om de doelstellingen te bereiken.
In de planfase wordt de gekozen strategie verder uitgewerkt. Deze uitwerking heeft betrekking op alle
functionele onderdelen.
Het plan wordt ten slotte in de implementatiefase uitgevoerd. Tijdens de uitvoering zal een controle
plaatsvinden om te bezien of de geformuleerde doelstellingen bereikt worden. Wanneer dit niet het
geval is, zal er bijgestuurd moeten worden.
, Het topmanagement speelt een centrale rol in het strategisch proces op ondernemingsniveau. Als het
wil nagaan of binnen de organisatie alles goed verloopt, zal eerst de uitgangspositie (de bestaande
situatie) van de onderneming moeten worden vastgesteld.
Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van het businessdefinitionmodel van Abell (1980) hierin
worden de marktgrenzen afgebakend doormiddel van drie polen: de afnemers (wie), de behoeften
(wat) en de technologieën (hoe).