Soort vragen: Wat, hoe, waarom en waartoe?
Wat? Antwoorden zijn descriptief. De intentie is om een antwoord te geven dat ‘waar’ of ‘onwaar’
is. (Feitelijke vragen zoals: Hoe oud is het kind?)
Hoe? Vraagt naar een instructie. Het antwoord is een handelingscrecept, gebaseerd op ervaring,
intuïtie of wetenschappelijk onderzoek (oorzaak-gevolg). Het antwoord werkt/werkt niet.
(Vragen zoals: Hoe moeten we met agressie omgaan? Of, Hoe vergroten we de sociale vaardigheid
van kinderen?)
Waarom? Vraagt naar vooronderstellingen, invullingen van begrippen of naar achterliggende
opvattingen (over eigen opvoeding). Ethische vragen zoeken naar goed en kwaad, waarden en
normen, over wat mag en wat moet. Het antwoord kun je niet bewijzen via waarneming, wetenschap
of handelingsvoorschrift. Het antwoord op filosofische en ethische vragen roept nieuwe vragen op.
Antwoorden op ethische vragen zijn prescriptief. Je legt een waarde of norm op.
Filosofische en ethische vragen: Wat betekent vrijheid? Wanneer is iets geweld? Is de mens/of het
kind van nature goed? Moet je kinderen streng opvoeden? Mag je kinderen laten meebeslissen?
Er bestaat geen definitief antwoord op filosofische vragen. Ze kunnen niet wetenschappelijk
beantwoord worden. Ook zijn er geen empirische antwoorden. De vragen hebben de intentie
vanzelfsprekendheden te doorbreken. (Vragen naar de fundamenten, naar de a priori’s)
Filosofische activiteit:
-het radicaliseren van de verwondering naar alle kanten.
Verwondering over wat vanzelfsprekend lijkt
-Van het bekende naar het onbekende
Variaties op fundamenteel onbeantwoorde vragen
Met welk doel? Fundamentele opvatting: overwin de verwondering.
Sceptische opvatting: elk antwoord vraagt om nieuwe vraag.
Filosofie hoorcollege 2
3 filosofen: (spa) Socrates, Plates en Aristoteles
Opvoeden is schipperen waarbij twijfelen waardevol kan zijn.
Belang van dilemma’s: morele gevoeligheid (aanvoelen dat iets op het spel staat door goed en
kwaad) , keuzemogelijkheid en onderbouwing, erkenning complexiteit en verschillende
perspectieven.
Twee dilemma’s: streng zijn (Kant) of luisteren naar je kind? (Hobbes) Berlin nam een middenweg
waarbij streng zijn goed is omdat het uiteindelijk het kind vrijheid geeft.
Berlin neemt een onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid. Hij heeft geen waardeoordeel.
, Negatieve vrijheid is vrijheid door afwezigheid van belemmeringen. Hoe groter je negatieve vrijheid,
hoe minder belemmeringen. Je lijkt vrij want je wordt niet belemmerd/begrensd.
Positieve vrijheid is aanwezigheid van mogelijkheden: beheersen van taal, begrenzing geeft
ontplooiingsmogelijkheden. Een voorbeeld is leerplicht. Je wordt begrensd maar daardoor kan je
uiteindelijk meer en ben je dus vrijer.
Streven naar persoonlijk geluk of goed burgerschap?
Kants mensbeeld descriptief (hoe iets is) : vrijheid, redelijkheid en moraliteit
Kant mensbeeld prescriptief (hoe dingen moeten zijn): autonomie (een kind leren om zelf zijn eigen
keuzes te maken naar wat hij zelf moreel juist vindt)
Kant heeft dus net als iedereen een descriptief mensbeeld: hij ziet mensen als vrije wezens met
moreel besef en redelijkheid. Hij heeft ook een prescriptief mensbeeld: hij vindt dat mensen
autonoom moeten zijn: zichzelf de wet op moeten leggen die zij goed vinden.
Je kindbeeld bepaald of je kinderen iets verplicht of vrij laat.
Kant ziet 4 stadia in de opvoeding: (deze zijn nodig voor goede ontwikkeling)
-Disciplineren: een kind leren hoe het moet
-Cultivering: een kind leren hoe de wereld in elkaar zit (dat de wereld mooi is door bijv. natuur,
muziek, films + gewoontes, cultuur)
-Civiliseren: leren hoe de beschaving werkt (hoe je je hoort te gedragen)
-Moralisering: een kind leren een moreel kompas te gebruiken (je leert het kind zelf beslissingen te
maken naar regels die het zelf heeft besloten op ‘’wat is goed/fout?’’)
Moreel besef
Leiden door de rede en je wil
Autonomie: jezelf de wet opleggen (waarvan je zelf vindt dat het belangrijk is)
Locke zijn mensbeeld: mensen zijn in staat tot medemenselijkheid en redelijkheid. Zijn mensbeeld is
dus descriptief. Het kind is als tabula rasa een onbeschreven blad.
Kind is van nature goed en kan nog tot van alles opgroeien. De opvoeder heeft dus een grote rol.
Filosofie hoorcollege 3
Plato: opvoeden tot burgerschap
Rousseau: opvoeden in contact met natuur
Aristoteles: geluk en burgerschap komen samen
Hedonisten zeggen goed leven is genot. Geluk is langdurig en hangt samen, terwijl genot iets korts is
Anders zeggen mensen dat het gaat om succesvol te zijn. (tijgermoeders)
Stoïcisme: een goed leven kent geen storende emoties (gemoedsrust)
Of een goed leven is sociaal. (Aristoteles: gemeenschap)
Ook heb je: een goed leven is politiek/activistisch.