College 1
Creativiteit: het vermogen om iets nieuws en/of waardevol te produceren. Kader:
Big C(reativity): eminente producten en personen van creativiteit. Geen volledig beeld als je alleen
onderzoek naar deze mensen doet. small c: bijvoorbeeld ingrediënt toevoegen aan je gerecht, omdat het
goed smaakt. Pro-c: (nog) niet eminent, niet big C, maar groter dan small c. mini c: piepkleine beslissingen
en denkprocessen die niet noodzakelijk zichtbaar zijn als creativiteit, bijvoorbeeld mentaal / emotioneel.
In prehistorie niet de capaciteit om te denken en filosoferen over creativiteit als concept, maar ook erg
belangrijk voor hen. Creativiteit een emergente eigenschap van evolutie, een bijproduct, adaptie, hielp
ons overleven.
Pre-christelijke tijdperk:
Grieken (bijvoorbeeld Plato). Creativiteit geïnspireerd of geleid door een Daimon: een side spirit die
iedereen had, en helpt je ideeën te bedenken en inspireert je.
Romeinen. Zoiets als Daimon; Genius. Maar niet alleen voor mensen, ook voor plaatsen. En alleen
mannen hadden het, vrouwen konden alleen bevallen.
Creativiteit geïnspireerd door een externe bron. Plato: er zijn geen nieuwe ideeën, alles komt ergens
vandaan.
Middeleeuwen. Talenten gezien als manifestaties van een externe spirit. Creativiteit is nog steeds niet van
jou.
Renaissance. Veel gebeurd in kunst, literatuur, architectuur. Bloeitijd voor creativiteit.
Paradigmaverschuiving naar creativiteit is een deel van jou. Combinatie factoren maakt iemand creatief.
Engelse taal verspreid vanuit UK, zeer nuttig, geen beperkingen eigen taal. Lijfeigenschap verminderd,
mensen mobieler en persoonlijke vrijheid begon.
Onderzoek tijdens de Verlichting. Collectieven van wetenschappers samen genomen. Wetenschappers
begonnen samen te werken (deed Descartes bijvoorbeeld niet) en resultaten publiceren. Focus hier heel
objectief, gefocust op meetbare resultaten, die je kon zien. Praktisch en realistisch. Niet heel
geïnteresseerd in idee van creativiteit en dit te meten en onderzoek naar te doen.
<> Romantiek. Focus op subjectieve, ervaringen, onmeetbare dingen. Terminologie begon, woorden
geassocieerd met creativiteit. Debatten begonnen. Onderscheid creativiteit: 1) niet bovennatuurlijk, niet
iets buiten onszelf, niet mystiek. 2) uitzonderlijk, maar een potentieel in ons allemaal. 3) genius is niet
hetzelfde als talent. 4) manifestatie is afhankelijk van omgeving. Creativiteit geassocieerd met
psychopathologie.
Woord creatief/creativiteit steeds meer genoemd in wetenschappelijke literatuur, nog niet zo veel.
Andere dingen meer prioriteit.
Verschillende manieren om creativiteit onderzoek te categoriseren.
Theorieën van creativiteit verdeeld in twee categorieën:
Wetenschappelijke theorieën: hard, falsificeerbaarheid, kan bewijs leveren voor bepaalde dingen.
Metaforische theorieën: nieuwe denkmanieren uitproberen, minder beperkt, kan nieuwe ideeën bieden
waarmee je wetenschappelijke theorieën mee kan maken.
Je moet een basislijn hebben, vanaf daar krijgen andere factoren een belangrijke rol.
Creativiteit heeft onbewuste en bewuste processen nodig.
Experimenten naar relatie tussen creativiteit en bewustzijn. Geen – lage – hoge cognitieve belasting.
Creativiteit: het vermogen om iets nieuws en/of waardevol te produceren. Kader:
Big C(reativity): eminente producten en personen van creativiteit. Geen volledig beeld als je alleen
onderzoek naar deze mensen doet. small c: bijvoorbeeld ingrediënt toevoegen aan je gerecht, omdat het
goed smaakt. Pro-c: (nog) niet eminent, niet big C, maar groter dan small c. mini c: piepkleine beslissingen
en denkprocessen die niet noodzakelijk zichtbaar zijn als creativiteit, bijvoorbeeld mentaal / emotioneel.
In prehistorie niet de capaciteit om te denken en filosoferen over creativiteit als concept, maar ook erg
belangrijk voor hen. Creativiteit een emergente eigenschap van evolutie, een bijproduct, adaptie, hielp
ons overleven.
Pre-christelijke tijdperk:
Grieken (bijvoorbeeld Plato). Creativiteit geïnspireerd of geleid door een Daimon: een side spirit die
iedereen had, en helpt je ideeën te bedenken en inspireert je.
Romeinen. Zoiets als Daimon; Genius. Maar niet alleen voor mensen, ook voor plaatsen. En alleen
mannen hadden het, vrouwen konden alleen bevallen.
Creativiteit geïnspireerd door een externe bron. Plato: er zijn geen nieuwe ideeën, alles komt ergens
vandaan.
Middeleeuwen. Talenten gezien als manifestaties van een externe spirit. Creativiteit is nog steeds niet van
jou.
Renaissance. Veel gebeurd in kunst, literatuur, architectuur. Bloeitijd voor creativiteit.
Paradigmaverschuiving naar creativiteit is een deel van jou. Combinatie factoren maakt iemand creatief.
Engelse taal verspreid vanuit UK, zeer nuttig, geen beperkingen eigen taal. Lijfeigenschap verminderd,
mensen mobieler en persoonlijke vrijheid begon.
Onderzoek tijdens de Verlichting. Collectieven van wetenschappers samen genomen. Wetenschappers
begonnen samen te werken (deed Descartes bijvoorbeeld niet) en resultaten publiceren. Focus hier heel
objectief, gefocust op meetbare resultaten, die je kon zien. Praktisch en realistisch. Niet heel
geïnteresseerd in idee van creativiteit en dit te meten en onderzoek naar te doen.
<> Romantiek. Focus op subjectieve, ervaringen, onmeetbare dingen. Terminologie begon, woorden
geassocieerd met creativiteit. Debatten begonnen. Onderscheid creativiteit: 1) niet bovennatuurlijk, niet
iets buiten onszelf, niet mystiek. 2) uitzonderlijk, maar een potentieel in ons allemaal. 3) genius is niet
hetzelfde als talent. 4) manifestatie is afhankelijk van omgeving. Creativiteit geassocieerd met
psychopathologie.
Woord creatief/creativiteit steeds meer genoemd in wetenschappelijke literatuur, nog niet zo veel.
Andere dingen meer prioriteit.
Verschillende manieren om creativiteit onderzoek te categoriseren.
Theorieën van creativiteit verdeeld in twee categorieën:
Wetenschappelijke theorieën: hard, falsificeerbaarheid, kan bewijs leveren voor bepaalde dingen.
Metaforische theorieën: nieuwe denkmanieren uitproberen, minder beperkt, kan nieuwe ideeën bieden
waarmee je wetenschappelijke theorieën mee kan maken.
Je moet een basislijn hebben, vanaf daar krijgen andere factoren een belangrijke rol.
Creativiteit heeft onbewuste en bewuste processen nodig.
Experimenten naar relatie tussen creativiteit en bewustzijn. Geen – lage – hoge cognitieve belasting.