Probleem 4
Gardner, H. (1985). Chapter 2. Laying the Foundation for Cognitive Science.
In 1948 een conferentie over de manier waarop het zenuwstelsel gedrag controleert. Pscyholoog Karl Lashley.
Het wetenschappelijke klimaat waarin hij actief was tijdens de laatste tientallen jaren. De belangrijkste
kwesties van mentale leven geadresseerd door onderzoekers: denken, probleem oplossen, de aard van
bewustzijn, de unieke aspecten van menselijke taal en cultuur.
Favoriete wetenschappelijke methode van meeste onderzoekers destijds was introspectie: zelfreflectie op het
deel van een getrainde observator over de aard en het verloop van zijn eigen denkpatronen. Suggestief, maar
leidde niet tot kritische kennisvergaring. Introspectionisme werd omvergeworpen op een agressieve manier
door een groep van voornamelijk jonge, Amerikaanse wetenschappers die bekend werden als de
‘behavioristen’.
Twee proposities:
1. Onderzoekers geïnteresseerd in een gedragswetenschap moeten zich strikt beperken tot publieke methoden
van observaties, die elke wetenschapper kon toepassen en kwantificeren. Geen subjectieve ruminaties of
private introspectie.
2. Onderzoekers geïnteresseerd in een gedragswetenschap moeten uitsluitend focussen op gedrag.
Behavioristen: alle psychologische activiteit kan adequaat worden verklaard zonder toevlucht te nemen tot
mysterieuze mentalistics entiteiten.
Het geloof in de suprematie en power van de omgeving bepalen. Individuen zijn passieve reflectoren van
verschillende krachten en factoren in hun omgeving. Gedragswetenschap kon alles verklaren wat een individu
zou kunnen doen, en onder welke omstandigheden.
Problemen ontstaan uit afhankelijkheid van introspectionisme, behaviorisme leek een verademing; het sloeg
snel aan en veroverde de beste geesten van een werkersgeneratie.
Lashley realiseerde zich dat, voordat nieuwe inzichten in de hersenen konden worden uitgeoefend in
psychologische wetenschappen, het noodzakelijk zou zijn om behaviorisme direct te confronteren. ‘De
problemen door de organisatie van taal lijken mij kenmerkend te zijn voor bijna alle andere cerebrale
activiteit.’ Hierin zette Lashley een onderwerp dat was verbannen door behavioristcollega’s in het centrum van
menselijke psychologie. Op hetzelfde moment kon het dominante theoretisch verklarend framework in
neurofysiologie niet minder in psychologie – die van simpele associatieve ketens tussen een stimulus en een
respons – onmogelijk serially ordered behavior verklaren. Reden: deze actiesequenties ontvouwen zo snel dat
er geen manier is waarop de volgende stap in de keten kan zijn gebaseerd op de vorige.
Deze gedragssequenties moeten vooraf worden gepland en georganiseerd. Organisatie wordt het beste gezien
als hiërarchisch: er zijn de breedste algemene plannen, waarbinnen steeds fijnere actiesequenties zijn bewerkt.
Centrale hersenprocessen gaan vooraf aan en bepalen de manier waarop een organisme complex gedrag
uitvoert, i.p.v. gedrag het gevolg van omgevingsingevingen; De vorm gaat vooraf aan en bepaald specifiek
gedrag: i.p.v. van buitenaf worden opgelegd, is organisatie afkomstig van binnen het organisme.
De intellectuele geschiedenis toont veel meetings tussen degenen geïnteresseerd in cognitiekwesties en een
significant aantal publicaties die een nieuwe interdisciplinaire wetenschap van de geest hielpen promoten.
Het Hixon Symposium was maar één van vele gehouden conferenties onder cognitief georiënteerde
wetenschappers tijdens 1940s en 1950s. Belangrijk voor ons verhaal vanwege twee factoren: het koppelen van
de hersenen en de computer en het aanhoudend uitdagen van het toen heersende behaviorisme.
Hergenhahn
Dierpsychologie
Dierpsychologie was cruciaal voor ontwikkeling van behaviorisme, en Watson’s vroege dierstudies droegen
aanzienlijk bij aan zijn formulering van behaviorisme.
Thorndike. Overgangsfiguur tussen functionalisme en behaviorisme.
Testte diergedrag in puzzle boxes.
Stimulus-response (S-R) learning: de associatie van de sense-impressie van het interieur van de box met een
succesvolle beweging. Het dier leerde niet om ideeën te associëren, maar leerde de associatie van idee of
sense impressie (S) met impuls (R) door de tussenkomst van resulterend genot.
Law of effect: Responses op een situatie die gepaard gaan met of gevolgd worden door tevredenheid, worden
Gardner, H. (1985). Chapter 2. Laying the Foundation for Cognitive Science.
In 1948 een conferentie over de manier waarop het zenuwstelsel gedrag controleert. Pscyholoog Karl Lashley.
Het wetenschappelijke klimaat waarin hij actief was tijdens de laatste tientallen jaren. De belangrijkste
kwesties van mentale leven geadresseerd door onderzoekers: denken, probleem oplossen, de aard van
bewustzijn, de unieke aspecten van menselijke taal en cultuur.
Favoriete wetenschappelijke methode van meeste onderzoekers destijds was introspectie: zelfreflectie op het
deel van een getrainde observator over de aard en het verloop van zijn eigen denkpatronen. Suggestief, maar
leidde niet tot kritische kennisvergaring. Introspectionisme werd omvergeworpen op een agressieve manier
door een groep van voornamelijk jonge, Amerikaanse wetenschappers die bekend werden als de
‘behavioristen’.
Twee proposities:
1. Onderzoekers geïnteresseerd in een gedragswetenschap moeten zich strikt beperken tot publieke methoden
van observaties, die elke wetenschapper kon toepassen en kwantificeren. Geen subjectieve ruminaties of
private introspectie.
2. Onderzoekers geïnteresseerd in een gedragswetenschap moeten uitsluitend focussen op gedrag.
Behavioristen: alle psychologische activiteit kan adequaat worden verklaard zonder toevlucht te nemen tot
mysterieuze mentalistics entiteiten.
Het geloof in de suprematie en power van de omgeving bepalen. Individuen zijn passieve reflectoren van
verschillende krachten en factoren in hun omgeving. Gedragswetenschap kon alles verklaren wat een individu
zou kunnen doen, en onder welke omstandigheden.
Problemen ontstaan uit afhankelijkheid van introspectionisme, behaviorisme leek een verademing; het sloeg
snel aan en veroverde de beste geesten van een werkersgeneratie.
Lashley realiseerde zich dat, voordat nieuwe inzichten in de hersenen konden worden uitgeoefend in
psychologische wetenschappen, het noodzakelijk zou zijn om behaviorisme direct te confronteren. ‘De
problemen door de organisatie van taal lijken mij kenmerkend te zijn voor bijna alle andere cerebrale
activiteit.’ Hierin zette Lashley een onderwerp dat was verbannen door behavioristcollega’s in het centrum van
menselijke psychologie. Op hetzelfde moment kon het dominante theoretisch verklarend framework in
neurofysiologie niet minder in psychologie – die van simpele associatieve ketens tussen een stimulus en een
respons – onmogelijk serially ordered behavior verklaren. Reden: deze actiesequenties ontvouwen zo snel dat
er geen manier is waarop de volgende stap in de keten kan zijn gebaseerd op de vorige.
Deze gedragssequenties moeten vooraf worden gepland en georganiseerd. Organisatie wordt het beste gezien
als hiërarchisch: er zijn de breedste algemene plannen, waarbinnen steeds fijnere actiesequenties zijn bewerkt.
Centrale hersenprocessen gaan vooraf aan en bepalen de manier waarop een organisme complex gedrag
uitvoert, i.p.v. gedrag het gevolg van omgevingsingevingen; De vorm gaat vooraf aan en bepaald specifiek
gedrag: i.p.v. van buitenaf worden opgelegd, is organisatie afkomstig van binnen het organisme.
De intellectuele geschiedenis toont veel meetings tussen degenen geïnteresseerd in cognitiekwesties en een
significant aantal publicaties die een nieuwe interdisciplinaire wetenschap van de geest hielpen promoten.
Het Hixon Symposium was maar één van vele gehouden conferenties onder cognitief georiënteerde
wetenschappers tijdens 1940s en 1950s. Belangrijk voor ons verhaal vanwege twee factoren: het koppelen van
de hersenen en de computer en het aanhoudend uitdagen van het toen heersende behaviorisme.
Hergenhahn
Dierpsychologie
Dierpsychologie was cruciaal voor ontwikkeling van behaviorisme, en Watson’s vroege dierstudies droegen
aanzienlijk bij aan zijn formulering van behaviorisme.
Thorndike. Overgangsfiguur tussen functionalisme en behaviorisme.
Testte diergedrag in puzzle boxes.
Stimulus-response (S-R) learning: de associatie van de sense-impressie van het interieur van de box met een
succesvolle beweging. Het dier leerde niet om ideeën te associëren, maar leerde de associatie van idee of
sense impressie (S) met impuls (R) door de tussenkomst van resulterend genot.
Law of effect: Responses op een situatie die gepaard gaan met of gevolgd worden door tevredenheid, worden