Probleem 6
DSM-V
Obsessieve-compulsieve stoornis (dwangstoornis).
Specificaties. Veel mensen met OCS hebben disfunctionele cognities. Deze cognities kunnen inhouden: een
overdreven verantwoordelijkheidsgevoel en de neiging om gevaren te overschatten; perfectionisme en niet
tegen onzekerheid kunnen; een overmatig belang hechten aan gedachten (zoals geloven dat een verboden
gedachte hebben net zo erg is als ernaar handelen) en de behoefte om de gedachten onder controle te
houden.
Mensen met OCS hebben een wisselende mate van realiteitsbesef over de juistheid van de
opvattingen die ten grondslag liggen aan hun obsessieve-compulsieve symptomen. De mate van realiteitsbesef
kan tijdens het beloop van de aandoening per persoon variëren.
Tot 30% van mensen met OCS heeft op enig moment in hun leven een ticstoornis. Het vaakst bij
mannen bij wie OCS in de kindertijd is begonnen.
Diagnostische kenmerken. De meest mensen met OCS hebben obsessies én compulsies. Een compulsie wordt
doorgaans in reactie op een obsessie uitgevoerd.
Mensen met OCS hebben obsessies en compulsies in verschillende frequenties en mate van ernst.
Bijkomende kenmerken die de classificatie ondersteunen. Specifieke inhoud van obsessies en compulsies
varieert per persoon. Bepaalde thema’s of dimensies: schoonmaken, symmetrie, verboden of ongepaste
gedachten, onheil, verzamelen. Betrokkenen ervaren de symptomen vaak in meer dan één dimensie.
Wanneer mensen met OCS worden geconfronteerd met situaties die tot obsessies of compulsies
kunnen leiden, ervaren zij een scala aan affectieve reacties.
Mensen met OCS vermijden vaak personen, plaatsen of dingen die obsessies of compulsies kunnen
oproepen.
Prevalentie. Internationale 12-maandprevalentie: 1,1 - 1,8%. Nederlands levenslange prevalentie: 0,9%. Op
volwassen leeftijd OCS iets vaker bij vrouwen dan bij mannen; tijdens kindertijd vaker jongens.
Ontwikkeling en beloop. In VS gemiddelde beginleeftijd 19,5 jaar.
Het beloop van OCS wordt vaak gecompliceerd door gelijktijdige andere stoornissen.
ZAP
Ons vertrouwen in onze herinneringen is afhankelijk van de levendigheid en details van deze herinneringen.
Levendigheid en details van een herinnering zijn deels afhankelijk van hoe bekend we zijn met een herinnerd
event: hoe bekender met een event, hoe minder levendig en gedetailleerd de herinnering eraan (en
omgekeerd). Informatie van bekende of alledaagse events slaan we anders op in geheugen: we verwerken dit
event op een betekenisvoller niveau en besteden geen aandacht aan perceptuele aspecten zoals kleur en vorm.
Event minder levendig en met minder detail herinnert, en ons vertrouwen voor de herinnering van dat
bekende event daalt.
Van den Hout & Kindt deze theorie toegepast op OCD-patiënten: hoe meer mensen met OCD hun
acties controleerden, hoe minder vertrouwen in het hebben gecontroleerd van hun acties. Controle
veroorzaakt twijfel. Geheugen van OCD-patiënten is correct.
OCD-klachten. Cognitieve component: herhalende gedachten of impulsen (obsessies), komen onvrijwillig in
bewustzijn. Gedragsmatige component: herhalende handelingen (compulsies), pogingen van persoon om de
angst veroorzaakt door hun obsessies te verlichten.
Eén van effectiefste behandelingen voor OCD: exposure therapie, vorm van gedragstherapie.
Patiënten blootgesteld aan beangstigende situatie, maar mogen geen compulsief ritueel uitvoeren om de angst
te onderdrukken. Doel: patiënten tonen dat het weglaten van de compulsieve gedragingen niet leidt tot een
catastrofe. Vernietiging van de geleerde reactie.
Rachman, S., & De Silva, P. (1978). Abnormal and normal obsessions
Onderzoeksdoelen:
1. Testen of alle mensen een fenomeen ervaren dat lijkt op ‘klinische’ of ‘abnormale’ obsessies.
DSM-V
Obsessieve-compulsieve stoornis (dwangstoornis).
Specificaties. Veel mensen met OCS hebben disfunctionele cognities. Deze cognities kunnen inhouden: een
overdreven verantwoordelijkheidsgevoel en de neiging om gevaren te overschatten; perfectionisme en niet
tegen onzekerheid kunnen; een overmatig belang hechten aan gedachten (zoals geloven dat een verboden
gedachte hebben net zo erg is als ernaar handelen) en de behoefte om de gedachten onder controle te
houden.
Mensen met OCS hebben een wisselende mate van realiteitsbesef over de juistheid van de
opvattingen die ten grondslag liggen aan hun obsessieve-compulsieve symptomen. De mate van realiteitsbesef
kan tijdens het beloop van de aandoening per persoon variëren.
Tot 30% van mensen met OCS heeft op enig moment in hun leven een ticstoornis. Het vaakst bij
mannen bij wie OCS in de kindertijd is begonnen.
Diagnostische kenmerken. De meest mensen met OCS hebben obsessies én compulsies. Een compulsie wordt
doorgaans in reactie op een obsessie uitgevoerd.
Mensen met OCS hebben obsessies en compulsies in verschillende frequenties en mate van ernst.
Bijkomende kenmerken die de classificatie ondersteunen. Specifieke inhoud van obsessies en compulsies
varieert per persoon. Bepaalde thema’s of dimensies: schoonmaken, symmetrie, verboden of ongepaste
gedachten, onheil, verzamelen. Betrokkenen ervaren de symptomen vaak in meer dan één dimensie.
Wanneer mensen met OCS worden geconfronteerd met situaties die tot obsessies of compulsies
kunnen leiden, ervaren zij een scala aan affectieve reacties.
Mensen met OCS vermijden vaak personen, plaatsen of dingen die obsessies of compulsies kunnen
oproepen.
Prevalentie. Internationale 12-maandprevalentie: 1,1 - 1,8%. Nederlands levenslange prevalentie: 0,9%. Op
volwassen leeftijd OCS iets vaker bij vrouwen dan bij mannen; tijdens kindertijd vaker jongens.
Ontwikkeling en beloop. In VS gemiddelde beginleeftijd 19,5 jaar.
Het beloop van OCS wordt vaak gecompliceerd door gelijktijdige andere stoornissen.
ZAP
Ons vertrouwen in onze herinneringen is afhankelijk van de levendigheid en details van deze herinneringen.
Levendigheid en details van een herinnering zijn deels afhankelijk van hoe bekend we zijn met een herinnerd
event: hoe bekender met een event, hoe minder levendig en gedetailleerd de herinnering eraan (en
omgekeerd). Informatie van bekende of alledaagse events slaan we anders op in geheugen: we verwerken dit
event op een betekenisvoller niveau en besteden geen aandacht aan perceptuele aspecten zoals kleur en vorm.
Event minder levendig en met minder detail herinnert, en ons vertrouwen voor de herinnering van dat
bekende event daalt.
Van den Hout & Kindt deze theorie toegepast op OCD-patiënten: hoe meer mensen met OCD hun
acties controleerden, hoe minder vertrouwen in het hebben gecontroleerd van hun acties. Controle
veroorzaakt twijfel. Geheugen van OCD-patiënten is correct.
OCD-klachten. Cognitieve component: herhalende gedachten of impulsen (obsessies), komen onvrijwillig in
bewustzijn. Gedragsmatige component: herhalende handelingen (compulsies), pogingen van persoon om de
angst veroorzaakt door hun obsessies te verlichten.
Eén van effectiefste behandelingen voor OCD: exposure therapie, vorm van gedragstherapie.
Patiënten blootgesteld aan beangstigende situatie, maar mogen geen compulsief ritueel uitvoeren om de angst
te onderdrukken. Doel: patiënten tonen dat het weglaten van de compulsieve gedragingen niet leidt tot een
catastrofe. Vernietiging van de geleerde reactie.
Rachman, S., & De Silva, P. (1978). Abnormal and normal obsessions
Onderzoeksdoelen:
1. Testen of alle mensen een fenomeen ervaren dat lijkt op ‘klinische’ of ‘abnormale’ obsessies.