Kenmerkende aspecten tijdvak 3: tijd
van monniken en ridders (500 – 1000)
9. Ontstaan en verspreiding van de islam
Islam: 1 God is Allah. Koran is heilig boek en Mohammed is profeet. Volgelingen
= moslims en jihad = streven naar verspreiding van de islam. Islam verspreidt
snel in Midden-Oosten en Noord-Afrika. 650: onrust door stichting dynastie;
verspreiding in soennieten (voor) en sjiieten (tegen). Sterke verspreiding door
taaiheid, paarden, eenheid en tolerantie naar christendom en jodendom. Later uit
elkaar vallen in staatjes bestuurd door sultan/emir.
10. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane
cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd
via hofstelsel en horigheid.
In de Germaanse staten trokken stedelingen naar het platteland waar een
landbouwsamenleving (autarkisch) ontstond en waar ze bescherming zochten
van lokale machthebbers (leven is onveilig). Ontstaan horigheid: boeren mogen
van de landheer het land niet verlaten. Hofstelsel; op het domein van landheren
liggen hoeves waar boeren herendiensten deden in ruil voor bescherming.
11. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur
Karel de Grote kreeg een groot rijk in Europa, door een eed van trouw bond
hij adel aan zich. Feodalisme: een gebied/ ambt werd geleend
aan vazal/leenman die een eed van trouw zwoer aan zijn leenheer. Karel
verdeelde zijn rijk in graafschappen en hertogdommen, waar
de graven en hertogen zijn vazallen waren.
12. De verspreiding van het christendom in geheel Europa
Kerkorganisatie bleef: bisschop benoemt in zijn eigen
kerk/bisdom lagere geestelijken. Tweezwaardenleer: geestelijke macht
en wereldlijke macht. Monniken en nonnen (missionarissen) trokken rond om
anderen te kerstenen. Karel de Grote erkende christendom. Na 1000 drong het
christendom door in heel Europa, waarbij het deels het heidense geloof had
overgenomen: godinnen leefden voort in heiligen.
van monniken en ridders (500 – 1000)
9. Ontstaan en verspreiding van de islam
Islam: 1 God is Allah. Koran is heilig boek en Mohammed is profeet. Volgelingen
= moslims en jihad = streven naar verspreiding van de islam. Islam verspreidt
snel in Midden-Oosten en Noord-Afrika. 650: onrust door stichting dynastie;
verspreiding in soennieten (voor) en sjiieten (tegen). Sterke verspreiding door
taaiheid, paarden, eenheid en tolerantie naar christendom en jodendom. Later uit
elkaar vallen in staatjes bestuurd door sultan/emir.
10. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane
cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd
via hofstelsel en horigheid.
In de Germaanse staten trokken stedelingen naar het platteland waar een
landbouwsamenleving (autarkisch) ontstond en waar ze bescherming zochten
van lokale machthebbers (leven is onveilig). Ontstaan horigheid: boeren mogen
van de landheer het land niet verlaten. Hofstelsel; op het domein van landheren
liggen hoeves waar boeren herendiensten deden in ruil voor bescherming.
11. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur
Karel de Grote kreeg een groot rijk in Europa, door een eed van trouw bond
hij adel aan zich. Feodalisme: een gebied/ ambt werd geleend
aan vazal/leenman die een eed van trouw zwoer aan zijn leenheer. Karel
verdeelde zijn rijk in graafschappen en hertogdommen, waar
de graven en hertogen zijn vazallen waren.
12. De verspreiding van het christendom in geheel Europa
Kerkorganisatie bleef: bisschop benoemt in zijn eigen
kerk/bisdom lagere geestelijken. Tweezwaardenleer: geestelijke macht
en wereldlijke macht. Monniken en nonnen (missionarissen) trokken rond om
anderen te kerstenen. Karel de Grote erkende christendom. Na 1000 drong het
christendom door in heel Europa, waarbij het deels het heidense geloof had
overgenomen: godinnen leefden voort in heiligen.