MC-Tentamen
1. De student weet wat de functies van ondernemingen zijn in de economie, heeft kennis
van bedrijfseconomische vakgebieden en functies.
- Hoofdstuk 2.
2. Weet wat de Bedrijfseconomische vakgebieden zijn en hun functies.
- Hoofdstuk 2.
1.3 Ondernemingsactiviteiten
Landbouw en extractie = ze maken gebruik van de ‘rijkdommen van de natuur’. Met relatief weinig
grondstof wordt een grote hoeveelheid eindproduct verkregen.
Extractie = deze houden zich bezig met de winning van delfstoffen -> bijvoorbeeld : olie, gas, koper
en goud. Hierbij wordt er geen gebruik gemaakt van grondstoffen.
Industrie = ze creëren een fysiek, tastbaar product dat vóór de productie in die vorm nog niet
bestond. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen :
- Stukproductie : wordt op maatwerk geleverd. Elk product is afgestemd op de specifieke
wensen van de klant. Er is spraken van productie op bestelling. → Serie-stukproductie :
hierbij is je uitgangspunt dat de klant zijn eigen product krijgt, maar men probeert de kosten
te besparen door de onderdelen van de product in grote aantallen te produceren.
- Massaproductie : er wordt één soort product gemaakt in grote hoeveelheden. Er wordt geen
rekening gehouden met specifieke klantwensen. Meestal wordt er op voorraad
geproduceerd. → Serie-massaproductie : er worden varianten of modellen van
standaardproduct geproduceerd, waarbij eens in de zoveel tijd de machines omgesteld
dienen te worden naar de betreffende variant. Bijvoorbeeld : een suikerfabriek die suiker
niet alleen in korrelvorm produceert, maar af en toe ook omschakelt tot suikerklontjes.
Handel = produceren geen nieuwe producten. Er is dus geen transformatieproces in technische zin.
Handelsondernemingen ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat er geen gelijkheid is tussen
productie en consumptie. Deze ongelijkheid kan betrekking hebben op :
1. De grootte van de productie en consumptie;
2. De samenstelling van de productie en consumptie;
3. Het tijdstip van de productie en consumptie;
4. De plaats van de productie en consumptie.
Groothandel = de groothandel koopt in bij de fabrikant en verdeelt de ingekochte partijen over de
detailhandel. > Deze verkoopt aan ondernemingen.
Detailhandel = dit is de laatste schakel, de detailhandel levert rechtstreeks aan de consument > Deze
verkoopt aan een consument.
Dienstverlening = ondernemingen die prestaties verrichten voor hun klanten zonder dat zij een
nieuw concreet goed vervaardigen, of een bestaand overdragen. Kenmerkend voor de
dienstverlening is dat er geen grondstoffen worden ingekocht bij leveranciers. → Voorbeelden van
dienstverleningen zijn :
- Financiële dienstverlening (banken, verzekeraars)
- Horeca;
- Transport;
- ICT-dienstverlening (softwarebureaus, computeradviesbureaus);
- Facilitaire dienstverlening (bewaking, catering, schoonmaak).
profit organisatie = is gericht op het maken van winst.
non-profit organisatie = is een organisatie die niet is gericht op winst, maar op het helpen van
mensen of op het streven naar een bepaald doel