§8.1: Levensloop
De prijs van een product komt tot stand door ruil.
> je ruilt je inkomen voor de gewenste goederen en diensten
> je maakt keuzes: beperken/leggen jarenlang je financiële mogelijkheden vast
- beroepsopleiding (biedt het wel voldoende mogelijkheden? etc.)
- aanschaf eigen woning (veel geld lenen)
- levensloopregeling: p/j max 12% van brutoloon worden gespaard voor langdurig verlof
Financiële levensloop: overzicht van
iemands inkomen en vermogen
gedurende haar of zijn leven.
Voorraadgrootheid: zijn op een bepaald moment/tijdstip aanwezig (loon per uur > gekoppeld aan
bepaalde tijdseenheid)
Stroomgrootheid: wat op een bepaald moment wordt gemeten (loon wordt bijgeschreven aan het
eind van de maand > hoger banksaldo, dit wordt op bepaald moment gemeten)
Stroomgrootheid beïnvloedt voorraadgrootheid: hoeveel loon je bijgeschreven krijgt is afhankelijk van
het loon wat je per uur krijgt.
Belangrijk inkomen: Ontvangsten uit arbeid/belegging (rente) of verhuur (loon)
Primaire inkomens: Beloningen voor de productiefactoren.
Productiefactoren:
- Kapitaal → intrest/huur
- Arbeid → loon
- Natuur → pacht
- Ondernemerschap → winst
§8.2: Sparen en lenen
Intertemporele ruil: ruilen over de tijd > sparen en lenen
Besteedbaar inkomen: bruto inkomen - belasting + subsidies + toeslagen van de overheid
Er zijn twee verschillende mogelijkheden om meer te kopen dan je inkomen toelaat:
1. Sparen (= het verschuiven van huidige consumptie naar de toekomst)
- ‘In het heden’ minder consumeren dan dat je zou kunnen op grond van je inkomen.
Consump
tie
(gespaard
e inkomen
Besteedb Besparin
aar gen Besteedb Consum
inkomen aar ptie
inkomen (uit het
(= loon - Consum
besteed
loonheffi ptie