Thinking and Remembering
Vraag 1
Tijdens het leren voor een tentamen wordt je tijdens het leren van nieuwe informatie belemmert
door al geleerde oude informatie. Hoe noemt men dit fenomeen?
a. Proactieve interference
b. Retroactieve interference
c. Geen van de bovenstaande opties
Vraag 2
Er zijn een aantal manieren om items het beste te onthouden. Wanneer iemand items associeert met
omgevingen bekend voor die persoon noemt men dit:
a. Pegword system
b. Story mnemonic
c. Method of loci
Vraag 3
Welke van de onderstaande opties beschrijft het self-reference effect het best?
a. In stukjes leren met tijd ertussen is beter dan alles in één keer leren.
b. Als je eerder in aanraking komt met informatie, vergemakkelijkt het latere prestatie.
c. Je onthoudt informatie beter als het van toepassing is op jezelf.
Vraag 4
Henk weet dat Bevrijdingsdag valt op 5 mei. Onder welk geheugen hoort dit?
a. Episodisch geheugen
b. Semantisch geheugen
c. Impliciet geheugen
Vraag 5
Als men herinneringen moet noemen, noemt iedereen weinig herinneringen uit de eerste 5 jaar van
zijn of haar leven door een nog niet ontwikkelde hippocampus. Hoe noemt men dit?
a. Infantile/childhood amnesia
b. Reminiscence bump
c. Life narrative
Vraag 6
Welke van de onderstaande stellingen is/zijn juist over het onderdrukken en terughalen van
herinneringen?
Stelling 1: het is mogelijk dat men herinneringen ophaalt die nooit gebeurd zijn, dit noemt men false
memory perspective.
Stelling 2: pijnlijke herinneringen worden altijd verdrukt uit het bewustzijn.
a. Beide stellingen zijn waar.
b. Geen van de stellingen zijn waar.
c. Alleen stelling 1 is waar.
d. Alleen stelling 2 is waar.
1