Paragraaf 1 ➙de evolutietheorie:
Evolutie: de ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen
en/of verdwijnen.
De evolutietheorie:
Is vanaf de 18e eeuw ontwikkeld.
Deze theorie is niet te bewijzen.
Er zijn wel feiten die deze theorie aannemelijk maken. En voor deze feiten zijn
argumenten.
Deze theorie is ontwikkeld door Engels man Charles Darwin.
Ze gaan uit van veranderingen in het genotype, natuurlijke selectie en ontstaan van
nieuwe soorten.
Veranderingen in genotypen:
In het genotype van een individu treden mutaties op.
Door geslachtelijke voortplanting en door mutaties treffen we
in een populatie andere genotypen aan. Hierdoor kunnen we ook in
een populatie andere fenotype aantreffen.
Natuurlijke selectie: het genotype bepaalt voor een groot deel of een individu goed of slecht
is aangepast aan het milieu.
Niet alle dieren hebben een even grote overlevingskans.
Individuen met een goede aanpassing aan het milieu hebben een grote
overlevingskans. ➙veel nakomelingen zullen in leven blijven en zich voortplanten.
Individuen met een minder gunstig genotype sterven snel. ➙weinig of geen
nakomelingen.
Deze selectie leidt ertoe, dat soorten voortdurend veranderen.
Het is belangrijk dat in een populatie verschillend genotypen en fenotypen zijn.
hierdoor heeft de populatie een grotere overlevingskans.
Soorten evolueren (veranderen) als de mutanten blijven voortbestaan en individuen
van de oorspronkelijke vorm uitsterven.
De voorouder van de giraf had een veel kortere nek dan tegenwoordige giraffen. Ze konden
niet bij de bomen om blaadjes te eten dus aten veel gras. En hadden hierdoor een kleine
overlevingskans. Omdat in tijden dat er weinig voedsel was, giraffen stierven met een korte
nek door voedselgebrek.