Samenvatting artikel De Groot over de empirische cyclus
1.3. Doelstellingen en normen in de empirische wetenschap
1.3.1. Het doel van wetenschapsbeoefening
In de empirische wetenschap tracht men kennis te verwerven omtrent een bepaalde sector van de
werkelijkheid of van de wereld. De wetenschapsbeoefenaar tracht verschijnselen te 1) beschrijven, 2)
ordenen, 3) registreren, 4) begrijpen en te 5) verklaren …
… om vervolgens nieuwe verschijnselen te 6) voorspellen en te 7) beheersen/beïnvloeden.
Om toepassing en uitwisseling mogelijk te maken, moet verworven kennis in taal worden uitgedrukt.
Er wordt gestreefd naar uitsluitend expliciete overdraagbare kennis. Een eis is dat wetenschappelijke
kennis ‘ware kennis’ moet zijn. Hoewel dit nauwelijks te handhaven is, moet ‘streven naar de
waarheid’ kenmerkend zijn voor de wetenschapsbeoefening. Een onderzoeker moet streven naar
grotere zekerheden en heeft een kritische houding tegenover formuleringen en het onderzoek. Om
waarheid en zekerheid te vinden, is het noodzakelijk om empirische criteria voor waarheid van
uitspraken over de werkelijkheid te ontwikkelen. Het voorspellen neemt een sleutelpositie in. Het
criterium voor ‘ware kennis’ is namelijk gelegen in het kunnen voorspellen van de uitkomst van een
toetsingsprocedure.
“Als ik iets weet, kan ik iets voorspellen. Als ik niets kan voorspellen, dan weet ik niets.”
Niet alle kennis is wetenschappelijk interessant. Wetenschap gaat bij voorkeur verder dan slechts
beschrijven. Veel interessanter is het vinden van algemene samenhangen, die voor gehele klassen
van verschijnselen gelden. Men gaat nog een stap verder door de algemene samenhangen te
ordenen in logisch samenhangende systemen die we ‘theorieën’ noemen. Deze theorieën hebben als
doel om het hele gebied van verschijnselen te bestrijken.