Inhoud
HC1 – Introductie ................................................................................................................................ 2
HC2 – Steun en bewegingsstelsel 1 ..................................................................................................... 3
HC 3 – Farmacologie ............................................................................................................................ 5
HC5/6 – Steun- en bewegingsstelsel 2 ................................................................................................ 8
HC 9/10 – Hoofd, hals en zenuwstelsel ............................................................................................. 14
H11/12 – Inleiding in de fysiologie en homeostatische regelsystemen ............................................ 21
HC 13/14 – thorax, abdomen en pelvis ............................................................................................. 27
1
,HC1 – Introductie
Systemische anatomie = studeer je een systeem, een aantal structuren bij elkaar die samen een
specifieke functie uitvoeren
➔ Tractus circulatorius (hart/lymfe/vaatstelsel)
➔ Spijsverteringsstelsel (Tractus digestivus)
➔ Zenuwstelsel
➔ Musculaire stelsel
➔ Skeletstelsel
➔ Respiratoire stelsel
➔ Reproductieve stelsel/ voortplantingsstelsel
Regionale anatomie = Hierbij kijk je naar een deel van het lichaam, binnen een regio zitten dan ook
weer heel veel systemen
➔ Abdomen ➔ Pelvis
➔ Thorax ➔ Hoofd
➔ Onderste extremiteiten ➔ Nek
➔ Bovenste extremiteiten ➔ Rug
Klinische anatomie = Het gedeelte van de anatomie wat voor een medicus belangrijk is. De meest
relevante zaken.
Afkortingen
a. arteria
v. vena
n. nervus
m. musculus
Vascularisatie = bloedvoorziening
Innervatie = aansturing door een zenuw
Topografische aanduidingen, vanuit de anatomische positie:
• craniaal – caudaal / superior – inferior
• ventraal – dorsaal / anterior – posterior
• lateraal – mediaal
• proximaal – distaal
Vlakken en assen:
Frontaal vlak (coronaal) Sagittale as
Sagittaal vlak (mediaan als het exact in het Transversale as
midden is)
Transversaal vlak (axiaal) Longitudinale as
CT-scan is altijd een onderaanzicht waarbij je dus van onder naar boven kijkt. Let op, hierbij is links en
rechts omgedraaid.
Lichaamsholtes: Holtes waarin organen of weefsels zich bevinden, deze dienen als bescherming.
➔ benige holtes, voornamelijk voor het zenuwstelsel
o schedel
o wervelkolom
2
, ➔ thoraxholte/ cavitas thoracis
➔ abdomenholte/ cavitas abdominis
o borst- en buikholte wordt gescheiden door het diafragma
Bewegingen in de romp
• ademhalingsbewegingen
• contractie van het hart
• peristaltiek
Voorwaarde voor beweging: Er moet een glijvlak bevinden tussen de twee objecten.
Glijvlak = substantie tussen de twee bewegende objecten.
BV: Het vocht geproduceerd door de sereuze vliezen (peritoneum)
HC2 – Steun en bewegingsstelsel 1
Algemene bewegingsleer – arthrologie / bewegingen / spierfunctie
Gewricht = verbinding tussen botten → junctura
Junctura fibrosa = bindweefselverbinding → sutura en syndesmose
- Beweeglijkheid is gering, behoefte aan veel stabiliteit
Junctura cartilaginea = kraakbeenverbinding → discus intervertebralis (tussenwervelschijven)
Junctura synovialis = ruimte tussen botstukken, veel beweging mogelijk. Ruimte is opgevuld met
synovia, gewrichtssmeer = articulatio (aanduiding voor synoviale gewrichten, afkorting art.)
Algemene bouw synoviale gewrichten:
- Kop (caput)
- Kom
- Hyaline kraakbeen, dit bekleedt de botstukken, glad en hard
kraakbeen
- Gewrichtskapsel: dit houdt kop en kom bij elkaar
o Membrana synovialis (binnenste)
o Membrana fibrosa (buitenste)
- Cavum articulare: ruimte tussen gewricht, hierin zit synovia
- Ligamenten, banden: kunnen druk/kracht weerstaan. Zorgen
dat onze bewegingen gestabiliseerd worden en dat er een
einde zit aan de beweging.
o Capsulair, opgenomen in het kapsel
o Extra capsulair, buiten het kapsel
- Kraakbeen structuren (niet bij elk gewricht): als het niet goed
past er een stukje kraakbeen tussen om het beter te laten
passen.
o Discus
o Meniscus (halve maan)
Indeling synoviale gewrichten
Naar aantal assen:
• 1 assig
• 2 assig
• 3 assig
Naar vorm:
• Scharniergewricht: 1 as
• Zadelgewricht: 2 assen
• Kogelgewricht: 3 assen
3
, Bewegingen
Sagittale as:
• Abductie= van lichaam af
• Adductie = naar lichaam toe
Transversale as:
• Flexie = buiging naar voren
• Extensie = buiging naar achter/strekking
o Anteflexie = been naar voren met heupgewricht
o Retroflexie = been naar achter met heupgewricht
o Plantairflexie = voet naar beneden
o Dorsaalflexie
Longitudinale as
• Endorotatie = naar binnen draaien
• Exorotatie = naar buiten draaien
1 assige gewrichten zijn lengte en dwarse gewrichten →
rolgewrichten (lengte) en enkelgewricht (dwars)
2 assige → zadelgewricht (gewricht tussen handwortel en
1e gewricht duim, belangrijk voor de grijpfunctie) en
condyloid gewricht (tussen middenhandsbeentjes en
vingerkootjes)
3 assige → kogelgewricht (schouder en heupgewricht)
Functioneel kogelgewricht = gewricht met 3 assen, maar de
vorm lijkt niet 3 assig.
Anatomisch kogelgewricht = zoals schouder en heup, heeft
3 assen en ziet eruit als kogel.
Spieren:
Spieren stabiliseren elkaar!
Aanhechtingsplaatsen van spieren: origo (dichter bij lichaamscentrum) en insertie (verder van het
lichaamscentrum) → dus de proximale aanhechtingsplaats is origo en distale is insertie
Mono-, bi- of polyarticulair = langs hoeveel gewrichten de spieren werken.
De spierverloop bepaalt de functie.
Schouder:
Schoudergordel = clavicula (sleutelbeen) en scapula (schouderblad) → open gordel
Schoudergewricht = Gewricht tussen scapula en humerus
Belangrijkste functie arm = hand kunnen positioneren
Scapula heeft geen gewricht met de thoraxwand → hangt als het ware in spieren
4