Hoofdstuk 1:
Slikken wordt verdeeld in vier fasen:
1. Voorbereidende orale fase het in de mond nemen, kauwen en vormen van een
voedselbolus.
2. Orale transportfase inzet van het slikken en transport van de voedselbolus van de
mondholte naar de keel.
3. Faryngeale fase transport van de voedselbolus door de keelholte.
4. Oesofageale fase transport door de slokdarm naar de maag.
Het innemen van voedsel en vocht wordt gezien als een tweeledig proces: enerzijds het innemen en
het geschikt maken om door te slikken en anderzijds het feitelijke doorslikken.
Voorbereidende orale fase:
Voorwaarde voor deze fase: het lichaam in de buurt van het eten brengen, beschikken over
adequate arm- en handmotoriek en de juiste hulpmiddelen kunnen hanteren.
Sociale situatie speelt ook een rol.
Zuigen: aanzuigen of opslurpen koelt de vloeistof af. Met een rietje is voldoende zuigkracht nodig.
Afhappen: het bijten in, doorboren of afscheuren van voedsel met de tanden. Mond moet ver genoeg
open kunnen, tong gebruikt voor het verder in de mond te brengen en lippen gesloten worden om de
hap in de mond te houden. Tanden en kiezen zijn nodig op de juiste plaats en er moet voldoende
kracht gebruikt worden.
Kauwen: een goed gebit, gezonde kaakspieren en een gezond kaakgewricht nodig evenals een goed
beweeglijke tong, actieve wangspieren en een goede sensibiliteit om bijten op tong of wang te
voorkomen. Evenals zorgt het kauwen ervoor dat het voedsel vermengd wordt met speeksel zodat het
makkelijker is om weg te slikken.
Manipuleren van voedsel in de mond: het voedsel moet door de mond verplaatst worden voor het
goed kunnen proeven en kauwen.
Speekselvorming: reinigen van de mond en het beschermen van het gebit en de mond- en keelholte
tegen zure uit voedsel en tegen uitdroging. Belangrijkste speekselklieren zitten in de bovenkaak
(parotisklier), bij de onderkaak (submandibulaire klier) en onder de tong (sublinguale klier).
- Parotisklier: produceert sereus, waterig, speeksel door stimulatie van voedsel en
kaakbewegingen
- Submandibulaire klier: produceert seromuceus speeksel, een meer dik, slijmerig en stroperig
speeksel. Rustspeeksel
- Sublinguale klier: produceert uitsluitend muceus speeksel, dat bijna gelvormig is.
SLIKKEN:
Orale fase:
Start als het voedsel wordt doorgeslikt. Slikinzet
Gaat hierom bewust slikken en verplaatsen van voedsel of vloeistof naar de keelholte.
Dit is WILLEKEURIG!