Vragen Organisatiekunde oefenen
,Inhoud
Hoofdstuk 1............................................................................................................................................3
Hoofdstuk 2............................................................................................................................................7
Hoofdstuk 3..........................................................................................................................................12
Hoofdstuk 4..........................................................................................................................................16
Hoofdstuk 5..........................................................................................................................................18
Hoofdstuk 6..........................................................................................................................................21
Hoofdstuk 7..........................................................................................................................................24
Hoofdstuk 8..........................................................................................................................................26
, Hoofdstuk 1
Deel 1
1. Wat is een bedrijf?
a) Een organisatie zonder winstoogmerk.
b) Een organisatie die sociale doelen nastreeft.
c) Een organisatie die goederen of diensten produceert om winst te maken.
d) Een organisatie die goederen of diensten gratis aanbiedt.
2. Wat is het hoofddoel van een non-profitorganisatie?
a) Winst maken.
b) Sociale, culturele of maatschappelijke doelen bevorderen zonder winstoogmerk.
c) Producten en diensten produceren.
d) Concurrenten overnemen.
3. Wat is een fusie in de context van organisaties?
a) Het uitbesteden van taken aan externe bedrijven.
b) Het samengaan van twee of meer organisaties om één nieuwe organisatie te vormen.
c) Het verkrijgen van controle over een andere organisatie.
d) Een strategische samenwerking.
4. Wat is het doel van job rotation?
a) Het verbreden van een functie door extra taken toe te voegen.
b) Het verrijken van een functie met meer verantwoordelijkheid.
c) Het regelmatig wisselen van functies om vaardigheden te ontwikkelen en verschillende taken te
begrijpen.
d) Het verminderen van werknemersproductiviteit.
5. Wat is de focus van de humanrelationsbenadering in management?
a) Het maximaliseren van winst.
b) Het analyseren van taken om de efficiëntie te verbeteren.
c) De impact van sociale relaties, communicatie en groepsdynamiek op werknemersproductiviteit
en tevredenheid.
d) Het toepassen van wetenschappelijk managementprincipes.
6. Wat werden de Hawthorne-experimenten gebruikt om te onderzoeken?
a) De impact van technologische ontwikkeling op arbeid.
b) De principes van scientific management in de staalindustrie.
c) De invloed van sociale factoren op de productiviteit van werknemers in fabrieken.
d) De effecten van job rotation op werknemers.
7. Wat is het verschil tussen gesloten en open systemen?
a) Gesloten systemen hebben geen interactie met hun omgeving, terwijl open systemen dat wel
doen.
b) Gesloten systemen hebben meer flexibiliteit dan open systemen.
c) Gesloten systemen hebben geen invloed van externe factoren.
d) Open systemen hebben vaste regels en procedures.
,Inhoud
Hoofdstuk 1............................................................................................................................................3
Hoofdstuk 2............................................................................................................................................7
Hoofdstuk 3..........................................................................................................................................12
Hoofdstuk 4..........................................................................................................................................16
Hoofdstuk 5..........................................................................................................................................18
Hoofdstuk 6..........................................................................................................................................21
Hoofdstuk 7..........................................................................................................................................24
Hoofdstuk 8..........................................................................................................................................26
, Hoofdstuk 1
Deel 1
1. Wat is een bedrijf?
a) Een organisatie zonder winstoogmerk.
b) Een organisatie die sociale doelen nastreeft.
c) Een organisatie die goederen of diensten produceert om winst te maken.
d) Een organisatie die goederen of diensten gratis aanbiedt.
2. Wat is het hoofddoel van een non-profitorganisatie?
a) Winst maken.
b) Sociale, culturele of maatschappelijke doelen bevorderen zonder winstoogmerk.
c) Producten en diensten produceren.
d) Concurrenten overnemen.
3. Wat is een fusie in de context van organisaties?
a) Het uitbesteden van taken aan externe bedrijven.
b) Het samengaan van twee of meer organisaties om één nieuwe organisatie te vormen.
c) Het verkrijgen van controle over een andere organisatie.
d) Een strategische samenwerking.
4. Wat is het doel van job rotation?
a) Het verbreden van een functie door extra taken toe te voegen.
b) Het verrijken van een functie met meer verantwoordelijkheid.
c) Het regelmatig wisselen van functies om vaardigheden te ontwikkelen en verschillende taken te
begrijpen.
d) Het verminderen van werknemersproductiviteit.
5. Wat is de focus van de humanrelationsbenadering in management?
a) Het maximaliseren van winst.
b) Het analyseren van taken om de efficiëntie te verbeteren.
c) De impact van sociale relaties, communicatie en groepsdynamiek op werknemersproductiviteit
en tevredenheid.
d) Het toepassen van wetenschappelijk managementprincipes.
6. Wat werden de Hawthorne-experimenten gebruikt om te onderzoeken?
a) De impact van technologische ontwikkeling op arbeid.
b) De principes van scientific management in de staalindustrie.
c) De invloed van sociale factoren op de productiviteit van werknemers in fabrieken.
d) De effecten van job rotation op werknemers.
7. Wat is het verschil tussen gesloten en open systemen?
a) Gesloten systemen hebben geen interactie met hun omgeving, terwijl open systemen dat wel
doen.
b) Gesloten systemen hebben meer flexibiliteit dan open systemen.
c) Gesloten systemen hebben geen invloed van externe factoren.
d) Open systemen hebben vaste regels en procedures.