Samenvatting Strafrecht
Hoofdstuk 3=
Culpa= schuld, het niet-opzettelijke onvoorzichtige handelen.
Opzet=
Opzettelijk handelen betekent: willens en wetens handelen. De dader die opzettelijk handelt
weet waar hij mee bezig is en hij wil het ook doen. Vaak heeft de verdachte ook een bepaald
doel dat hij/zij wilt bereiken met het handelen.
Graden van opzet=
- Opzet met bedoeling= het enige doel van de dader is het verrichten van het
strafbarefeit. Er is sprake van willens en wetens handelen.
- Voorwaardelijk opzet= de dader is zo gericht op het verrichten van zijn strafbare feit
dat hij daarbij de aanmerkelijke kans niet ziet dat er van zijn gedragingen ook andere
gevolgen zouden kunnen intreden. De dader is zich bewust van de aanmerkelijke
kans dat er andere gevolgen zouden kunnen intreden van zijn acties.
- Opzet met noodzakelijkheidsbewustzijn= de dader heeft een bepaald doel voor ogen,
maar hij weet dat het noodzakelijk is een bepaald – niet primair beoogd – gevolg in
het leven te roepen om dat doel te bereiken. Er is dus geen sprake van een
aanmerkelijke kans. De kans dat het gevolg intreed is 100 procent. Er wordt daarom
ook wel gesproken van zekerheidsbewustzijn.
Opzet kun je herkennen aan de woorden=
- Opzettelijk.
- Wetende dat.
- Wist.
- Oogmerk.
- Mishandeling.
- Opruien.
- Verzetten.
Opzet en geobjectiveerde delictsbestanddelen=
Delictsbestanddelen waarop ook als zij tekstueel pas volgen na het opzetbestanddeel het
opzet van de dader niet gericht hoeft te zijn. Deze worden geobjectiveerde
delictsbestanddelen genoemd.
Door het gevolg gekwalificeerde delicten=
Het is belangrijk bij opzet delicten om te bepalen waar het opzet van de pleger van een
strafbaar feit precies op was gericht.
,Terminologie culpa=
- Schuld als element= verwijtbaarheid.
De definitie van een strafbaar feit luidt: een menselijke gedraging die valt binnen de
grenzen van een wettelijke delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan schuld
te wijten. In deze definitie heeft schuld de betekenis verwijtbaarheid. Van
verwijtbaarheid is sprake als van de dader in redelijkheid kon worden gevergd dat hij
zich anders gedroeg dan hij deed.
- Schuld als bestanddeel= culpa.
Als het woord schuld in de delictsomschrijving voorkomt dan betekent schuld niet
verwijtbaarheid maar culpa.
Inhoud van de culpa=
Als er sprake is van een culpoos delict als het plegen van een feit niet door dit opzettelijk te
doen maar door onvoorzichtigheid. Culpa is een verwijtbare aanmerkelijke
onvoorzichtigheid.
MG
DO
W
V
Wordt in het geval van culpa:
MG
DO (W&V)
Bewuste en onbewuste culpa=
Als de dader zich bewust is dat hij onvoorzichtig bezig is spreken we van bewuste culpa.
Als de dader zich hiervan niet bewust is spreken we van onbewuste culpa.
Er is een bijzondere vorm van bewuste culpa: roekeloosheid. Dit is te vinden in art. 175
Wegenverkeerswet 1994 en art. 307 en 308 Sr. Roekeloosheid= een of meerdere
gedragingen van de dader aangewezen kunnen worden die erop duiden dat door hem
welbewust onaanvaardbare risico’s zijn genomen. De dader gaat ervan uit dat de risico’s van
zijn handelen niet in werking zullen treden.
Het verschil tussen de voorwaardelijke opzet en de bewuste culpa= bij voorwaardelijke
opzet laat het de verdachte koud wat de gevolgen van zijn acties zijn. Bij bewuste culpa had
de verdachte gedacht dat zijn acties zouden uitlopen op een goede afloop.
, Hoofdstuk 4=
Strafuitsluitingsgronden=
Gedrag dat voldoet aan een delictsomschrijving is doorgaans wederrechtelijk en verwijtbaar.
Als bij een delictsomschrijving de wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid ontbreekt
spreken we van strafuitsluitingsgronden.
De rechter kijkt na de terechtzitting eerst naar art. 350 Sv. Het feit moet bewezen verklaard
worden, het feit moet worden gekwalificeerd, is het handelen van de verdachte
wederrechtelijk en of het feit de verdachte verwijtbaar is.
Er bestaan twee soorten strafuitsluitingsgronden: rechtvaardigingsgronden en
schulduitsluitingsgronden. Rechtvaardigingsgronden nemen de wederrechtelijkheid weg en
de schulduitsluitingsgronden nemen de verwijtbaarheid weg.
Een correct beroep op schulduitsluitingsgronden neemt altijd de straf weg. Er bestaat zonder
wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid geen strafbaar feit.
Bij rechtvaardigingsgronden kan men stellen dat de gedraging van de verdachte
gerechtvaardigd was. Bij een schulduitsluitingsgrond kijkt men naar de strafbaarheid van de
verdachte. Schulduitsluitingsgronden excuseren de dader, niet de daad.
Rechtsvaardigingsgronden Schulduitsluitingsgronden
Noodweer (art. 41 lid 1 Sr). Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr).
Overmacht als noodtoestand (art. 40 Sr). Psychische overmacht (art. 40 Sr).
Bevoegd ambtelijk bevel (art. 43 lid 1 Sr). Onbevoegd ambtelijk bevel (art. 43 lid 2 Sr).
Wettelijk voorschrift (art. 42 Sr). Ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr).
Arrest Arrest
Ontbreken van materiële Afwezigheid van alle schuld (ongeschreven,
wederrechtelijkheid (ongeschreven, Melk-en-waterarrest).
Veeartsarrest).
Dit zijn alle algemene strafuitsluitingsgronden.
Wettelijke strafuitsluitingsgronden=
Noodweer= het recht van mensen om zich te verdedigen tegen een aanval.
Er moet zijn voldaan aan=
- Ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding= verdediging is alleen toegelaten
tegen een aanranding die aan de gang is op het moment dat de verdediging wordt
ingezet. Je mag je niet verdedigen als je nog niet wordt aangevallen. Je mag je wel
verdedigen als er een ogenblikkelijk dreigend gevaar heerst.
- Lijf, eerbaarheid of goed= je mag jezelf alleen verdedigen als je lijf, je seksuele
eerbaarheid of goed wordt aangetast. Eigenrichting (het heft in eigen handen nemen)
is verboden.
- Noodzakelijke en geboden verdediging= de eisen van subsidariteit en
proportionaliteit moeten in acht worden genomen. Subsidariteit= als het mogelijk is
je van verdediging te onthouden moet je dit doen. De verdediging moet noodzakelijk
Hoofdstuk 3=
Culpa= schuld, het niet-opzettelijke onvoorzichtige handelen.
Opzet=
Opzettelijk handelen betekent: willens en wetens handelen. De dader die opzettelijk handelt
weet waar hij mee bezig is en hij wil het ook doen. Vaak heeft de verdachte ook een bepaald
doel dat hij/zij wilt bereiken met het handelen.
Graden van opzet=
- Opzet met bedoeling= het enige doel van de dader is het verrichten van het
strafbarefeit. Er is sprake van willens en wetens handelen.
- Voorwaardelijk opzet= de dader is zo gericht op het verrichten van zijn strafbare feit
dat hij daarbij de aanmerkelijke kans niet ziet dat er van zijn gedragingen ook andere
gevolgen zouden kunnen intreden. De dader is zich bewust van de aanmerkelijke
kans dat er andere gevolgen zouden kunnen intreden van zijn acties.
- Opzet met noodzakelijkheidsbewustzijn= de dader heeft een bepaald doel voor ogen,
maar hij weet dat het noodzakelijk is een bepaald – niet primair beoogd – gevolg in
het leven te roepen om dat doel te bereiken. Er is dus geen sprake van een
aanmerkelijke kans. De kans dat het gevolg intreed is 100 procent. Er wordt daarom
ook wel gesproken van zekerheidsbewustzijn.
Opzet kun je herkennen aan de woorden=
- Opzettelijk.
- Wetende dat.
- Wist.
- Oogmerk.
- Mishandeling.
- Opruien.
- Verzetten.
Opzet en geobjectiveerde delictsbestanddelen=
Delictsbestanddelen waarop ook als zij tekstueel pas volgen na het opzetbestanddeel het
opzet van de dader niet gericht hoeft te zijn. Deze worden geobjectiveerde
delictsbestanddelen genoemd.
Door het gevolg gekwalificeerde delicten=
Het is belangrijk bij opzet delicten om te bepalen waar het opzet van de pleger van een
strafbaar feit precies op was gericht.
,Terminologie culpa=
- Schuld als element= verwijtbaarheid.
De definitie van een strafbaar feit luidt: een menselijke gedraging die valt binnen de
grenzen van een wettelijke delictsomschrijving, die wederrechtelijk is en aan schuld
te wijten. In deze definitie heeft schuld de betekenis verwijtbaarheid. Van
verwijtbaarheid is sprake als van de dader in redelijkheid kon worden gevergd dat hij
zich anders gedroeg dan hij deed.
- Schuld als bestanddeel= culpa.
Als het woord schuld in de delictsomschrijving voorkomt dan betekent schuld niet
verwijtbaarheid maar culpa.
Inhoud van de culpa=
Als er sprake is van een culpoos delict als het plegen van een feit niet door dit opzettelijk te
doen maar door onvoorzichtigheid. Culpa is een verwijtbare aanmerkelijke
onvoorzichtigheid.
MG
DO
W
V
Wordt in het geval van culpa:
MG
DO (W&V)
Bewuste en onbewuste culpa=
Als de dader zich bewust is dat hij onvoorzichtig bezig is spreken we van bewuste culpa.
Als de dader zich hiervan niet bewust is spreken we van onbewuste culpa.
Er is een bijzondere vorm van bewuste culpa: roekeloosheid. Dit is te vinden in art. 175
Wegenverkeerswet 1994 en art. 307 en 308 Sr. Roekeloosheid= een of meerdere
gedragingen van de dader aangewezen kunnen worden die erop duiden dat door hem
welbewust onaanvaardbare risico’s zijn genomen. De dader gaat ervan uit dat de risico’s van
zijn handelen niet in werking zullen treden.
Het verschil tussen de voorwaardelijke opzet en de bewuste culpa= bij voorwaardelijke
opzet laat het de verdachte koud wat de gevolgen van zijn acties zijn. Bij bewuste culpa had
de verdachte gedacht dat zijn acties zouden uitlopen op een goede afloop.
, Hoofdstuk 4=
Strafuitsluitingsgronden=
Gedrag dat voldoet aan een delictsomschrijving is doorgaans wederrechtelijk en verwijtbaar.
Als bij een delictsomschrijving de wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid ontbreekt
spreken we van strafuitsluitingsgronden.
De rechter kijkt na de terechtzitting eerst naar art. 350 Sv. Het feit moet bewezen verklaard
worden, het feit moet worden gekwalificeerd, is het handelen van de verdachte
wederrechtelijk en of het feit de verdachte verwijtbaar is.
Er bestaan twee soorten strafuitsluitingsgronden: rechtvaardigingsgronden en
schulduitsluitingsgronden. Rechtvaardigingsgronden nemen de wederrechtelijkheid weg en
de schulduitsluitingsgronden nemen de verwijtbaarheid weg.
Een correct beroep op schulduitsluitingsgronden neemt altijd de straf weg. Er bestaat zonder
wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid geen strafbaar feit.
Bij rechtvaardigingsgronden kan men stellen dat de gedraging van de verdachte
gerechtvaardigd was. Bij een schulduitsluitingsgrond kijkt men naar de strafbaarheid van de
verdachte. Schulduitsluitingsgronden excuseren de dader, niet de daad.
Rechtsvaardigingsgronden Schulduitsluitingsgronden
Noodweer (art. 41 lid 1 Sr). Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr).
Overmacht als noodtoestand (art. 40 Sr). Psychische overmacht (art. 40 Sr).
Bevoegd ambtelijk bevel (art. 43 lid 1 Sr). Onbevoegd ambtelijk bevel (art. 43 lid 2 Sr).
Wettelijk voorschrift (art. 42 Sr). Ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr).
Arrest Arrest
Ontbreken van materiële Afwezigheid van alle schuld (ongeschreven,
wederrechtelijkheid (ongeschreven, Melk-en-waterarrest).
Veeartsarrest).
Dit zijn alle algemene strafuitsluitingsgronden.
Wettelijke strafuitsluitingsgronden=
Noodweer= het recht van mensen om zich te verdedigen tegen een aanval.
Er moet zijn voldaan aan=
- Ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding= verdediging is alleen toegelaten
tegen een aanranding die aan de gang is op het moment dat de verdediging wordt
ingezet. Je mag je niet verdedigen als je nog niet wordt aangevallen. Je mag je wel
verdedigen als er een ogenblikkelijk dreigend gevaar heerst.
- Lijf, eerbaarheid of goed= je mag jezelf alleen verdedigen als je lijf, je seksuele
eerbaarheid of goed wordt aangetast. Eigenrichting (het heft in eigen handen nemen)
is verboden.
- Noodzakelijke en geboden verdediging= de eisen van subsidariteit en
proportionaliteit moeten in acht worden genomen. Subsidariteit= als het mogelijk is
je van verdediging te onthouden moet je dit doen. De verdediging moet noodzakelijk