Samenvatting gemotiveerd leren en lesgeven hoofdstuk 3
De bijdrage van de leraar aan het competentiegevoel van leerlingen
3.1 De functie van structuurondersteuning in relatie tot competentie
Autonomieondersteuning → leerlingen krijgen een zekere mate van keuzevrijheid
aangeboden, er wordt uitleg gegeven over het belang van een activiteit en het
taalgebruik is niet directief.
Competentie → de leerling heeft het gevoel dat hij de gewenste resultaten kan behalen
en heeft vertrouwen in het eigen kunnen. Ervaringen in het verleden spelen hierbij een
belangrijke rol.
Structuurondersteuning → bijdragen aan het competentiegevoel van leerlingen. Leraren
maken hun doelstellingen en verwachtingen duidelijk kenbaar en beschrijven wat de
consequenties zijn van het wel/niet behalen hiervan. Lesdoel en succescriteria bekend.
Moment van feedback en evaluatie bekend. Leraar neemt een ondersteunende en
consequente houding aan. De verwachtingen sluiten aan bij het ontwikkelingsniveau.
Sluit aan bij autonomie.
3.2 Complementaire basisbehoeften
Structuurondersteuning en autonomieondersteuning zijn twee complementaire
basisbehoeften (competentie en autonomie). Autonomieondersteunende
leeromgevingen kunnen voor veel afleiding zorgen, hierom moet er ook sprake zijn van
structuurondersteuning.
Optimaal leerproces → autonomieondersteuning en structuurondersteuning leidt tot
motivatie, deze motivatie leidt tot diepgaand leren en presteren, volhouden en transfer
van verworven gedrag en psychologisch welzijn (basisbehoeften).
3.3 Gedrag van de leraar en rol van de leeromgeving
Autonomie en competentie zijn twee aanvullende basisbehoeften die samen voor een
grotere mate van motivatie zorgen.
Leeromgevingen →
o Veeleisende en inconsequente leeromgeving → weinig structuurondersteuning
en weinig autonomieondersteuning. Externe beloningen en strafmaatregelen.
Weinig/geen motivatie.
o Permissieve/laissez-faire leeromgeving → weinig structuurondersteuning en veel
autonomieondersteuning. Redelijke motivatie voor de les, weinig leerrendement
van het doel.
o Controlerende leeromgeving → veel structuurondersteuning en weinig
autonomieondersteuning.
o Motiverende leeromgeving → veel structuurondersteuning en veel
autonomieondersteuning. Duidelijke en voorspelbare leeromgeving waarbij ook
rekening wordt gehouden met de interesses en voorkeuren van leerlingen.
De bijdrage van de leraar aan het competentiegevoel van leerlingen
3.1 De functie van structuurondersteuning in relatie tot competentie
Autonomieondersteuning → leerlingen krijgen een zekere mate van keuzevrijheid
aangeboden, er wordt uitleg gegeven over het belang van een activiteit en het
taalgebruik is niet directief.
Competentie → de leerling heeft het gevoel dat hij de gewenste resultaten kan behalen
en heeft vertrouwen in het eigen kunnen. Ervaringen in het verleden spelen hierbij een
belangrijke rol.
Structuurondersteuning → bijdragen aan het competentiegevoel van leerlingen. Leraren
maken hun doelstellingen en verwachtingen duidelijk kenbaar en beschrijven wat de
consequenties zijn van het wel/niet behalen hiervan. Lesdoel en succescriteria bekend.
Moment van feedback en evaluatie bekend. Leraar neemt een ondersteunende en
consequente houding aan. De verwachtingen sluiten aan bij het ontwikkelingsniveau.
Sluit aan bij autonomie.
3.2 Complementaire basisbehoeften
Structuurondersteuning en autonomieondersteuning zijn twee complementaire
basisbehoeften (competentie en autonomie). Autonomieondersteunende
leeromgevingen kunnen voor veel afleiding zorgen, hierom moet er ook sprake zijn van
structuurondersteuning.
Optimaal leerproces → autonomieondersteuning en structuurondersteuning leidt tot
motivatie, deze motivatie leidt tot diepgaand leren en presteren, volhouden en transfer
van verworven gedrag en psychologisch welzijn (basisbehoeften).
3.3 Gedrag van de leraar en rol van de leeromgeving
Autonomie en competentie zijn twee aanvullende basisbehoeften die samen voor een
grotere mate van motivatie zorgen.
Leeromgevingen →
o Veeleisende en inconsequente leeromgeving → weinig structuurondersteuning
en weinig autonomieondersteuning. Externe beloningen en strafmaatregelen.
Weinig/geen motivatie.
o Permissieve/laissez-faire leeromgeving → weinig structuurondersteuning en veel
autonomieondersteuning. Redelijke motivatie voor de les, weinig leerrendement
van het doel.
o Controlerende leeromgeving → veel structuurondersteuning en weinig
autonomieondersteuning.
o Motiverende leeromgeving → veel structuurondersteuning en veel
autonomieondersteuning. Duidelijke en voorspelbare leeromgeving waarbij ook
rekening wordt gehouden met de interesses en voorkeuren van leerlingen.