Mensen hebben drie basisbehoeftes in een relatie (zelfdeterminatie theorie):
1. Competentie – effectief doelen kunnen behalen in een relatie (Self-efficacy).
2. Autonomie – keuze vrijheid & zelfbewustzijn (Self-determination).
3. Verbondenheid – gevoel van intimiteit (Attachment).
Iemands mate van autonomie zorgt voor intrinsieke (voor mijzelf) of extrinsieke motivatie
(voor anderen) en bepaalt het relatie gedrag.
è Meer autonomie -> meer intrinsiek -> positiever relatiegedrag
Twee soort conflicten in een relatie:
1. Optimal distinctiveness in relaties (intra-persoonlijk):
De balans tussen de behoefte om uniek te zijn (differentiatie) vs. de behoefte om je
te identificeren met je partner (assimilatie).
o In onderzoek: als men te horen kreeg dat ze niet op hun partner leken steeg de
behoefte voor assimilatie. Andersom steeg de behoefte voor differentiatie als ze
te horen kregen veel op hun partner te lijken.
2. Conflict tussen relationele behoefte vs. individuele behoefte (inter-persoonlijk):
De wensen van de één interfereren met de wensen van de ander.
Dual concern model:
1
, 2.1.3 Oxicotine (CP)
Hechtingsstijlen kind/ouder:
1. Veilig - matige stress bij scheiding, positief bij hereniging
2. Onzeker-vermijdend – géén stress bij scheiding, vermijdt contact bij hereniging.
3. Onzeker-angstig - veel stress bij scheiding, moeilijk troostbaar bij hereniging.
è Hechtingsstijlen zijn matig stabiel: voorspellen hechtingsstijl op latere leeftijd maar hoeft
niet.
Oxytocine:
- Is een hypothalamisch neuropeptide.
- Gemaakt in de para-ventriculaire nucleus, supra-optische nucleus en de magneo-
cellulaire hypothalamische nuclei.
- Meeste oxytocine komt via de posterior pituitary (achterste hypofyse) in het bloed.
- In de hersengebieden: amygdala, striatum en hippocampus.
Perifere oxytocine:
- Zelfde niveaus bij mannen en vrouwen, neemt bij beide toe na orgasme.
- Bij niet-menselijke zoogdieren beïnvloedt oxytocine; testosteron, ejaculatiesnelheid
en spermatransport. Bij mensen is de rol van oxytocine onduidelijk.
- Oxytocine piekt tijdens bevalling -> zorgt voor samentrekking baarmoeder (weeën)
& melkproductie.
è Perifere oxytocine komt NIET in de bloed-hersen barrière & hangt NIET samen met
cerebrale oxytocine (in de hersens).
Monogamie van prairie (monogaam) vs. berg muizen (niet-monogaam):
- Beide muizen hebben zelfde hoeveelheid oxytocine -> maar verdeling over
hersengebieden maakt wel/niet monogaam en wel/geen gezamenlijke
zorgverantwoordelijkheid.
- Verdeling van oxytocine van de bergmuis verandert na de bevalling.
Ouderlijke zorg bij niet-menselijke zoogdieren:
- Maagdelijke vrouwelijke knaagdieren vermijden ‘pups’. Na injectie oxytocine in
hersens -> moederlijk gedrag.
- Oxytocine armoede bij muizen -> nog steeds moederlijk gedrag.
- Schapen: na injectie oxytocine accepteert het ook het niet-eigen lam (door
verhoogde reactiviteit voor geur van lam).
è Dus: oxytocine is niet per sé nodig voor moederlijk gedrag, maar EXTRA oxytocine
bevordert wel het moederlijk gedrag, doordat aandacht voor sensorische stimuli
verhoogd wordt.
2