(80 meerkeuzevragen. Drie of vier keuzeantwoord alternatieven. 120 minuten)
Bijeenkomst 1: mondelinge taalvaardigheid en
taalbeschouwing
9 domeinen die getoetst gaan worden:
1. Mondelinge taalvaardigheid
2. Woordenschat
3. Beginnende geletterdheid
4. Voortgezet technisch lezen
5. Begrijpend lezen
6. Stellen
7. Jeugdliteratuur
8. Taalbeschouwing
9. Spelling
Mondelinge taalvaardigheid en taalbeschouwing
Mondelinge taalvaardigheid
- Taalverwerving
- Taalontwikkelingsfasen
- Tweede taalontwikkeling
- Communicatieve competentie
- Luisterdoelen en luisterstrategieën
- Spreekdoelen en spreekstrategieën
- Sociale taalfuncties
- Cognitieve taalfuncties
Fases in de ontwikkeling
- Pre linguale fase (0-1 jaar)
- Vroeg linguale fase (1-2,5 jaar)
- Differentiatiefase (2,5-5 jaar)
- Voltooiingsfase (vanaf 5 jaar)
Taal heeft een systeem
- Fonologie (spraakklanken)
- Morfologie (vormleer van woorden)
- Syntaxis (zinsbouw)
- Semantisch (betekenis)
- Orthografie (spelling)
- Pragmatiek (taalgebruikersregels)
1) Pre linguale fase (0-1 jaar)
Ontwikkeling fonologische vaardigheden
- Huilen
- Vocaliseren (6 weken): klinkers
- Vocaal spel (vier maanden): medeklinkers
- Brabbelen (zeven maanden): herhalen klankgroepen
2
, 2) Vroeg linguale fase (1-2,5 jaar)
Toename semantische en syntactische vaardigheden
- Eenwoordzin, tweewoordzin, meerwoordzin
3) Differentiatiefase (2,5-5 jaar)
Ontwikkeling morfologische en pragmatische vaardigheden
- Ontdekken van regelmatigheden in de taal
Explosieve ontwikkeling waarin verworven aspecten worden
uitgebouwd en verfijnd en nieuwe aspecten aan bod komen.
Combineren van woordkennis, volgorde > regels ontdekken.
Pragmatische vaardigheden: sociale situatie en context
(taalgebruiksregels)
Foto: pragmatische vaardigheden: contact maken met elkaar.
Ook in de differentiatiefase (2,5 – 5 jaar) een explosieve woordenschat
uitbreiding.
- Kwantitatief: verschil passief en actief
- Kwalitatief (morfologische ontwikkeling): gebruik meervoudsvormen,
verkleinwoorden, verbuiging bijvoeglijke naamwoorden en vervoeging
werkwoorden.
Verschijnselen in de differentiatiefase
- Substitutie – Mag Hester (i.p.v. Ik) ook meedoen?
- Omissie – Ik wil af de stoel! / Ik wil speeltuin toe
- Inversie – Ik poppen spelen
- Additie – Hé, mijn koekje is weg verdwenen!
- Overgeneralisatie – Ik liepte
- Overextensie - Dit benoemen heeft een belangrijke functie. Zo zullen
kinderen in het begin alle oudere heren ‘opa’ kunnen noemen en alle
viervoeters ‘koe’. Dit wordt ‘Overextensie’ genoemd. Winkelmandje – auto
- Onderextensie kan ook voorkomen. In dit geval wil het kind bijvoorbeeld
alleen de eigen beer als ‘beer’ benoemen
4) Voltooiingsfase (5 – 9 jaar)
- Steeds complexere zinnen
- Verder morfologische ontwikkeling (onregelmatige vormen)
- Pragmatische ontwikkeling (taalgebruik)
- Taalbewustzijn
- Geletterdheid (beginnende geletterdheid in groep 1/2)
2
, Interne chronologie in de taalverwerving
Beginnende geletterdheid en woordenschat
Spelling, begrijpend lezen en jeugdliteratuur
Voortgezet technisch lezen en stellen
Tweedetaalverwerving
- Simultane meertaligheid
- Successieve meertaligheid
- Interferentiefouten
Mondelinge taalvaardigheid kleuters
1. Interactie
o Luisteren, spreken, gespreksvaardigheid
2. Verhalen
o Opbouw, plot, identificatie, uitbreiding leefwereld
3. Woordenschat
o Actief en passief
4. Taalbewustzijn
o Fonologisch en fonemisch bewustzijn
Wat is taal?
1. Taal heeft een functie
2. Taal heeft een betekenis
3. Taal heeft een systeem
1) Functies van taal
Taal heeft drie functies:
1. Een communicatieve functie/ sociale functie
2. Een conceptualiserende functie (middel om greep te krijgen op de
werkelijkheid)
3. Een expressieve functie
Sociale taalfuncties (functie 1)
- Zelfhandhaving
- Zelfsturing
- Sturing van anderen
- Structurering van het gesprek
Deze functies verwijzen naar de communicatieve/ sociale functie van taal.
2
, Cognitieve taalfuncties (functie 2)
- Rapporteren
- Redeneren
- Projecteren
Deze functies verwijzen naar de conceptualiserende functie van taal.
Taal als communicatiemiddel (functie 3)
2) Betekenis van taal
Semantiek: taal gaat ergens over, heeft een betekenis, verwijst naar iets in de
werkelijkheid.
Dit kan best ingewikkeld zijn:
- Verschillende zinsbouw > verschillende betekenis
- Woorden met een afhankelijke betekenis
- Synoniemen
- Polysemie
- Homoniemen, homofonen, homografen
- Hoe verwijzen woorden naar de werkelijkheid? Dat is niet bij alle woorden
even duidelijk
Definities
Synoniemen: woorden die (ongeveer) dezelfde betekenis hebben, maar andere
klanken.
- Bijvoorbeeld: fiets, rijwiel
Polysemie: deze term verwijst naar het feit dat hetzelfde woord in verschillende
contexten kan leiden tot een verschil in betekenis: het verwijst nog wel naar
dezelfde algemene betekenis, maar geeft er toch een andere nuance aan.
- Bijvoorbeeld: blad
Homoniemen: woorden die dezelfde klank hebben en dezelfde schriftelijke
weergave, maar een geheel andere betekenis (zelfde woordsoort).
- Bijvoorbeeld: bank
Homofonen: woorden die hetzelfde klinken maar een verschillende betekenis
hebben, en ook verschillend gespeld worden en tot verschillende woordsoorten
behoren.
- Bijvoorbeeld: Eis, ijs
Homografen: woorden die op dezelfde manier gespeld worden, maar waarbij de
klemtoon onderscheidend is voor de betekenis. De uitspraak van het woord
bepaalt de betekenis van het woord. Soms spreek je woorden die je leest
verkeerd uit waardoor zo’n woord helemaal geen betekenis heeft.
2