Methodieken voor de OGGZ
Hoofdstuk 1 – Maatschappelijke contexten van marginalisering
Ouderen, gehandicapten, asielzoekers, mensen met een uitkering, chronisch zieken hebben in meer
of mindere mate te maken met (dreigende uitsluiting). Denk bijv. aan mensen die niet weten hoe een
pinapparaat of een computer werkt, ontoegankelijke gebouwen voor mensen in een rolstoel of
mensen die de vermogens missen om zich snel aan wisselende omstandigheden aan te passen. In
plaats v. mogelijkheden zien deze mensen vaak obstakels en belemmeringen.
Als ‘gewone’ mensen in meer of mindere mate al gevolgen hebben v. uitsluiting hoe moet het dan de
mensen vergaan met beperkte intellectuele capaciteiten, met gebrekkige sociale vaardigheden etc.?
Filosoof Kunneman noemt dit trage vragen. Dit zijn vragen die duiden op de keerzijde v.d.
technomaatschappij. Deze maatschappij brengt ons snelheid en vooruitgang, maar dit levert ook
bezwaren en nadelen op. Processen als milieuvervuiling, wereldwijde migratie, ontstaan v.
onderklassen, sociale uitsluiting etc. zijn de keerzijde v.d. medaille. Deze processen worden
genegeerd of gebagatelliseerd.
Sinds de verlichting zijn we ons verstand meer gaan gebruiken. Dat heeft de samenleving vooruitgang
gebracht, maar heeft een keerzijde in de uitstoting v. diegenen die niet bij machte zijn om de vereiste
redelijkheid en rationaliteit (denkvermogen) op te brengen.
Het subtiele proces v. tweedeling begint al op (de basis)school. Voordat een kind de basisschool
verlaat heeft hij of zij al een groot aantal testen ondergaan die een onderscheid maken tussen
leerlingen die ‘het maken’ en die ‘het niet maken’. Door deze zogenaamde distinctiedrift ontstaat er
een tweedeling. Ook op het gebied van arbeid vindt deze tweedeling en prestatiedruk plaats.
Iedere ouder wil voor het eigen kind het beste en doet hier alles aan. De gerichtheid op prestaties
maakt dat de reductie v.h. aantal plaatsen op scholen voor speciaal onderwijs niet wil lukken. Ook
het beperkte succes van projecten als Weer samen naar School wordt door deze prestatiedruk
verklaard. Het blijft moeilijk om kwetsbare kinderen bloot te stellen aan de prestatiedruk v. gewone
scholen.
Traditionele gemeenschappen, waar het sociale contact tussen mensen grotendeels
voorgestructureerd was, hebben plaatsgemaakt voor een samenleving waar het opbouwen v. sociale
netwerken een belangrijke plaats inneemt. Vroeger bepaalde bijv. je religie naar welke school je ging
en was het duidelijk met wie je welke opvattingen deelde. Er was beperkte individuele vrijheid, maar
een sterke sociale binding. Tegenwoordig is er juist ruime individuele vrijheid, wat echter gepaard
gaat met verlies aan sociale binding. Van Houten spreekt in dit verband over een bestaansproject
waarin ieder individu een eigen levensplan voor zichzelf vormgeeft. Het staat iedereen vrij om zelf
keuzes te maken met wie hij/zij wil omgaan, welke waarden centraal staan etc. Sociale contacten
moeten zelf worden opgezocht. Hier zijn wel sociale vaardigheden voor nodig.
Het tonen van compassie en solidariteit is wellicht beter op te brengen in het besef dat mensen die
niet kunnen delen in de weelde, die verstoken blijven v. kansen, relatief makkelijk in ontwrichtend
gedrag vervallen.