Algemeen/voorkennis
Historiografische perspectieven op de Sovjet-geschiedenis
Totalitaire school:
- Opkomst: jaren 40/50
- Vooral in het Westen
- De SU als een totalitaire maatschappij, geleid door het Centrale Comité
van de CPSU.
→ Top-down
Revisionisme:
- Opkomst: jaren 60
- Russische Revolutie niet alleen opgelegd van bovenaf, maar ook actieve
deelname van ‘beneden’.
→ Sovjet-geschiedenis niet alleen ‘de staat’, maar ook arbeiders en
boeren.
- Radicaal.
- Verantwoordelijkheid voor Koude Oorlog ligt volledig bij VS.
-
-
‘Normale totalitaire maatschappij’:
- Geen uitzondering op andere totalitaire maatschappijen
- Als je in de SU leefde, voelde het als een totalitaire maatschappij.
→ perspectief van binnenuit.
- SU stortte in door pogingen om een onhervormbaar systeem te hervormen.
Overzicht fases Sovjet-geschiedenis
1. 1917-1928: Uitdaging van de Revolutie en haar betekenis
- (1860’-1917: Vooravond van de Revolutie)
- 1917-1921: Revolutie en burgeroorlogen
- 1921-1928: NEP-periode
2. 1928-1953: Consolidatie/staatshegemonie/staatssuprematie op haar top
→ Sovjetstaat meest repressief.
- 1928-1939: Stalinisme en de Grote Zuivering
- 1938-1945: WOII
- 1945-1953: ‘High Stalinism’ (/Laat Stalinisme)
3. 1953-1991: Versoepeling van de unitaire staat
- Chroesjtsjovs Dooi
- Periode van stagnatie
- Perestrojka
1
, Politieke groepen/begrippen
Mensjewieken (minderheid):
- Marxisten die meer democratische participatie van de achterban van de beweging
promootte.
- Meer gematigd.
- Positiever tov liberale oppositie (die democratisch gericht was).
→ Mensjewieken wilden tijdelijk blijven samenwerken met liberale en
sociale groepen om hervormingen in gang te zetten.
- Later bekend als de Sociaaldemocraten
Bolsjewieken (meerderheid):
- Wilden door revolutie het staatsapparaat ondermijnen en zo nodig afzetten.
- Radicalen
- Gesticht door Vladimir Lenin en Aleksandr Bogdanov
- Bolsjewistische revolutionaire leider Leon Trotski
- Later bekend als de Communisten
Sovjets:
- Had vooral betrekking op lokale raden van arbeiders, boeren en soldaten.
Vooravond van de Revolutie
- 1889: Sociaaldemocratische Partij opgericht
- Verschillende politieke en sociale veranderingen die tot de Revolutie leidden:
● Geleidelijke urbanisatie
● ‘Bevrijde’ boeren
● Nieuwe arbeidersklasse
● Nieuwe kopers en handelaren
● Opkomst populisten, anarchisten, marxisten en andere soorten
intelligentsia.
- Industrialisatie:
● Industriële heropleving vóór WOI
● Laag kapitaal en nauwelijks privékapitaal
→ Staat financierde bijna alles.
- Klassenverschillen:
● Verschillende sociale groepen (adel, geestelijken, dorpgangers, boeren etc.)
hadden verschillende belangen en eisen.
● Ook leeftijd speelde hierbij een grote rol.
- 1905: ‘generale repetitie’ voor Revolutie van 1917:
● Gezien als keerpunt.
● Revolutie gericht tegen de Tsaar.
● Demonstranten eisten hervormingen om leefomstandigheden van boeren en
arbeiders te verbeteren.
● Begon met Bloedige Zondag in St. Petersburg, waarbij op ongewapende
demonstranten werd geschoten.
● Ook de Potjomkin-muiterijen maakten deel uit van deze revolutie.
2
Historiografische perspectieven op de Sovjet-geschiedenis
Totalitaire school:
- Opkomst: jaren 40/50
- Vooral in het Westen
- De SU als een totalitaire maatschappij, geleid door het Centrale Comité
van de CPSU.
→ Top-down
Revisionisme:
- Opkomst: jaren 60
- Russische Revolutie niet alleen opgelegd van bovenaf, maar ook actieve
deelname van ‘beneden’.
→ Sovjet-geschiedenis niet alleen ‘de staat’, maar ook arbeiders en
boeren.
- Radicaal.
- Verantwoordelijkheid voor Koude Oorlog ligt volledig bij VS.
-
-
‘Normale totalitaire maatschappij’:
- Geen uitzondering op andere totalitaire maatschappijen
- Als je in de SU leefde, voelde het als een totalitaire maatschappij.
→ perspectief van binnenuit.
- SU stortte in door pogingen om een onhervormbaar systeem te hervormen.
Overzicht fases Sovjet-geschiedenis
1. 1917-1928: Uitdaging van de Revolutie en haar betekenis
- (1860’-1917: Vooravond van de Revolutie)
- 1917-1921: Revolutie en burgeroorlogen
- 1921-1928: NEP-periode
2. 1928-1953: Consolidatie/staatshegemonie/staatssuprematie op haar top
→ Sovjetstaat meest repressief.
- 1928-1939: Stalinisme en de Grote Zuivering
- 1938-1945: WOII
- 1945-1953: ‘High Stalinism’ (/Laat Stalinisme)
3. 1953-1991: Versoepeling van de unitaire staat
- Chroesjtsjovs Dooi
- Periode van stagnatie
- Perestrojka
1
, Politieke groepen/begrippen
Mensjewieken (minderheid):
- Marxisten die meer democratische participatie van de achterban van de beweging
promootte.
- Meer gematigd.
- Positiever tov liberale oppositie (die democratisch gericht was).
→ Mensjewieken wilden tijdelijk blijven samenwerken met liberale en
sociale groepen om hervormingen in gang te zetten.
- Later bekend als de Sociaaldemocraten
Bolsjewieken (meerderheid):
- Wilden door revolutie het staatsapparaat ondermijnen en zo nodig afzetten.
- Radicalen
- Gesticht door Vladimir Lenin en Aleksandr Bogdanov
- Bolsjewistische revolutionaire leider Leon Trotski
- Later bekend als de Communisten
Sovjets:
- Had vooral betrekking op lokale raden van arbeiders, boeren en soldaten.
Vooravond van de Revolutie
- 1889: Sociaaldemocratische Partij opgericht
- Verschillende politieke en sociale veranderingen die tot de Revolutie leidden:
● Geleidelijke urbanisatie
● ‘Bevrijde’ boeren
● Nieuwe arbeidersklasse
● Nieuwe kopers en handelaren
● Opkomst populisten, anarchisten, marxisten en andere soorten
intelligentsia.
- Industrialisatie:
● Industriële heropleving vóór WOI
● Laag kapitaal en nauwelijks privékapitaal
→ Staat financierde bijna alles.
- Klassenverschillen:
● Verschillende sociale groepen (adel, geestelijken, dorpgangers, boeren etc.)
hadden verschillende belangen en eisen.
● Ook leeftijd speelde hierbij een grote rol.
- 1905: ‘generale repetitie’ voor Revolutie van 1917:
● Gezien als keerpunt.
● Revolutie gericht tegen de Tsaar.
● Demonstranten eisten hervormingen om leefomstandigheden van boeren en
arbeiders te verbeteren.
● Begon met Bloedige Zondag in St. Petersburg, waarbij op ongewapende
demonstranten werd geschoten.
● Ook de Potjomkin-muiterijen maakten deel uit van deze revolutie.
2