Leerdoelen:
- Wat is differentiële opvoeding?
- Wat is de invloed van gezinsgrootte op de ouders en op de ontwikkeling van het kind?
- Wat is de invloed van eenlingen of meerlingen op de ouders en op de ontwikkeling van het
kind?
Bronnen:
- Boer (2010) – H2 Autrique et al.
- Jeannin & van Leeuwen (2012) – H2 Van Leeuwen & Van Crombrugge.
- Nijs (2012) – H3 Van Leeuwen & Van Crombrugge.
- Artikel Mancillas (2006)
- Artikel Sutcliffe en Derom (2006)
Wat is differentiële opvoeding?
Jeannin & van Leeuwen (2012) – H2 Van Leeuwen & Van Crombrugge
1. Inleiding
De oorzaken en processen die gepaard gaan met opvoedingsverschillen binnen het gezin en de
relatie met psychosociale aanpassing van kinderen die samen opgroeien, wordt beschreven
binnen onderzoek naar differentiële opvoeding.
Opvoeding: dit is een bidircectioneel proces het gaat om acties van de ouders én om
bepaalde opvoedingsgedragingen van de kinderen. Opvoedingsgedrag van de ouder is niet
identiek ten opzichte van elk kind, omdat kinderen uit hetzelfde gezin kunnen verschillen op het
gebied van geboorteorde, leeftijd, geslacht en temperament.
Siblings: kinderen uit hetzelfde gezin.
- Zij spelen een rol in het socialisatieproces van het kind de opvoeding die broer of zus
krijgt, kan model staan voor het kind om te leren hoe het zich moet gedragen. Ook biedt het
hebben van een broer/zus een veilig oefenterrein voor sociale vaardigheden die van belang
zijn in de omgang met leeftijdsgenoten, zoals spullen delen en ruzies oplossen.
Siblingrelatie = relatie met broers/zussen. Deze relatie wordt net als andere relaties
gekenmerkt door positieve aspecten, zoals warmte en negatieve aspecten, zoals conflict.
Kenmerkend voor siblingrelatie is echter dat ze gepaard gaan met verschillen in macht,
status en rollen, die niet los staan van de geboorteorde van het kind, en met rivaliteit, onder
meer om ouderlijke aandacht.
- In de lagere school is de siblingrelatie de belangrijkste relatie voor het kind, na deze met de
ouder ze staan op dezelfde hoogte als deze met de grootouders. Relatie met siblings is
belangrijker dan met leeftijdsgenoten en leerkrachten.
- In de adolescentie: intensiteit van siblingrelatie vermindert en het belang van
leeftijdsgenoten neemt toe.
2. Conceptafbakening: wat is differentiële opvoeding?
2.1 Grootte van opvoedingsverschillen binnen het gezin
Differentiële opvoeding: verwijst naar verschillende opvoedingservaringen van siblings, die
verschillen in hun ontwikkeling kunnen verklaren.
- Objectieve verschillen = objectief waarneembare grootte van opvoedingsverschillen.
1
, - Subjectieve verschillen = hoe kinderen de opvoedingsverschillen interpreteren.
Plaumen & Daniels (1987) kwamen in de jaren 80 met het concept differentieel opvoeden
kinderen die in hetzelfde gezin opgroeien verschillen evenveel van elkaar als kinderen die in
verschillende gezinnen opgroeien.
Dit is ontdekt door gedragsgenetisch onderzoek de verschillen in cognitieve,
persoonlijkheids- en psychosociale kenmerken van kinderen worden voor het grootste gedeelte
verklaard door niet-gedeelde omgevingsfactoren (=factoren die kinderen verschillend
maken).
- Is tegenstrijdig op de traditionele visie die men toen had dat elk kind dezelfde opvoeding
krijgt en er dus hetzelfde uit komt.
Tegenbeweging tegen de traditionele visie:
- Zij gingen ervan uit dat kinderen zelf op zoek gaan naar omgevingen die bij hen passen en
lokken reacties uit van de omgeving. Zo kan de opvoeding binnen een gezin toch verschillen
voor broers en zussen actieve en evocatieve gen-omgevingscorrelaties.
o Bijv: een kind dat graag geknuffeld wordt, kan meer affectie krijgen van de ouder door
zelf meer initiatief te nemen (actief) of door positief te reageren als de ouder hem of
haar knuffelt, waardoor de ouder geneigd zal zijn dit gedrag in de toekomst te herhalen
(evocatief).
Opvoedingsverschillen tussen siblings worden beschreven op de klassieke
opvoedingsdomeinen warmte en controle.
- Warmte: verwijst naar de gedragingen van de ouder die liefde en aanvaarding
communiceren bijv. luisteren naar het kind en samen activiteiten ondernemen.
o Komt vanuit het kind, ouders reageren hierop (=meer genetisch bepaald).
- Controle: strategieën die ouder gebruikt om kind aangepast gedrag te leren bijv. reges
stellen of straf geven bij ongewenst gedrag.
o Komt vanuit de ouder naar kind, hangt niet af van genetische achtergrond van het kind
(=minder genetisch bepaald).
Omdat verschillen in opvoeding sterk samenhangen met ontwikkelingsaspecten, kan men
aannemen dat niet al deze domeinen op dezelfde manier samenhangen met psychosociale
aanpassing:
- Vaker verschillen in ouderlijke controle ten aanzien van broers/zussen.
- Verschillen in warmte hangen meer af van de ouder- kindrelatie dan verschillen in controle.
- Ouders brengen meer tijd door met kind zelfde geslacht.
- Ook spelen verschillen in negatieve interacties een grotere rol dan verschillen in positieve
interacties.
- Er is een sterkere relatie met negatieve dan met positieve kinduitkomsten.
Opvoedingsverschillen spelen vooral een rol in de ontwikkeling van het kind als de ouder-
kindrelatie van minder goede kwaliteit is.
2.2 Positie van het kind ten opzichte van de sibling
Bij onderzoek naar voorkeurspositie van het kind werd aangenomen dat kinderen een
ouderlijke aanpak verkiezen die overeenkomst met meer warmte en minder controle. Een
voorkeurspositie is gekoppeld aan meer positieve gevolgen voor het kind en een minder
geprefereerde positie aan negatieve gevolgen.
De situatie is echter een stuk complexer:
2