Sociologie hoorcollege 5
Hoofdstuk 6 uit het boek
Sociale stratificatie: gelaagdheid in de samenleving. Een systeem waarmee een samenleving mensen
rangschikt in een bepaalde hiërarchie.
Deze stratificatie is niet te verklaren door individuele verschillen, maar door bijvoorbeeld
sociale erfelijkheid etc.
Voorbeelden hiervan:
- Kastensysteem (afkomst bepaald de toegeschreven status, studies etc. kunnen niet zorgen
voor een hogere kast)
- Klassensysteem (afkomst en persoonlijke prestaties zorgen voor de toegeschreven en later
de verworven status)
Klassen in Nederland -> weten welke klasse wat inhoudt!
- Bovenklasse
- Hogere bovenklasse
- Middenklasse
- Arbeidersklasse
- Onderklasse
o Relatieve armoede = achterstelling van sommige mensen in relatie tot een
referentiegroep.
o Absolute armoede = achterstelling aan bronnen die levensbedreigend kunnen zijn.
Sociale mobiliteit: omhoog of omlaag op de maatschappelijke ladder. Dit is dus alleen mogelijk in het
klassensysteem!
Meritocratie = een ideaal beeld van samenleving waarbij status van burgers hun eigen
verdienste is (alleen verworven status)
Bij meritocratie speelt sociale erfelijkheid een minimale rol.
Structureel = een grote groep mensen veranderen van hun sociale positie dankzij
maatschappelijke veranderingen, dus niet dankzij individuele inspanningen.
Denk aan; economische crisis of onderwijstoegankelijkheid.
Intragenerationele mobiliteit = binnen de generatie (t.o.v. je broers en zussen, vrienden,
leeftijdsgenoten)
Intergenerationele mobiliteit = buiten generatie (dus t.o.v. je ouders, grootouders, ouders
van vrienden etc.)
Kunnen zowel opwaarts als neerwaarts zijn!
Hoofdstuk 6 uit het boek
Sociale stratificatie: gelaagdheid in de samenleving. Een systeem waarmee een samenleving mensen
rangschikt in een bepaalde hiërarchie.
Deze stratificatie is niet te verklaren door individuele verschillen, maar door bijvoorbeeld
sociale erfelijkheid etc.
Voorbeelden hiervan:
- Kastensysteem (afkomst bepaald de toegeschreven status, studies etc. kunnen niet zorgen
voor een hogere kast)
- Klassensysteem (afkomst en persoonlijke prestaties zorgen voor de toegeschreven en later
de verworven status)
Klassen in Nederland -> weten welke klasse wat inhoudt!
- Bovenklasse
- Hogere bovenklasse
- Middenklasse
- Arbeidersklasse
- Onderklasse
o Relatieve armoede = achterstelling van sommige mensen in relatie tot een
referentiegroep.
o Absolute armoede = achterstelling aan bronnen die levensbedreigend kunnen zijn.
Sociale mobiliteit: omhoog of omlaag op de maatschappelijke ladder. Dit is dus alleen mogelijk in het
klassensysteem!
Meritocratie = een ideaal beeld van samenleving waarbij status van burgers hun eigen
verdienste is (alleen verworven status)
Bij meritocratie speelt sociale erfelijkheid een minimale rol.
Structureel = een grote groep mensen veranderen van hun sociale positie dankzij
maatschappelijke veranderingen, dus niet dankzij individuele inspanningen.
Denk aan; economische crisis of onderwijstoegankelijkheid.
Intragenerationele mobiliteit = binnen de generatie (t.o.v. je broers en zussen, vrienden,
leeftijdsgenoten)
Intergenerationele mobiliteit = buiten generatie (dus t.o.v. je ouders, grootouders, ouders
van vrienden etc.)
Kunnen zowel opwaarts als neerwaarts zijn!