Organisatietheorie
Hoorcollege 1 – introductie
Opdrachten 1, 3 en 4 moeten worden ingeleverd, hardcopy in de les (maandag). Tentamenstof: boek
(h1-h13), klassieke teksten, stof van colleges en opdrachten.
Centrale vragen
Organisaties: ‘’Sociale systemen, waarin mensen interacteren en door die interactie een
gemeenschappelijk doel proberen te realiseren.’’
Er zijn vier belangrijke vragen: (1) Wat zijn die interacties? (2) Wat is het doel? (3) Wat beïnvloedt die
interacties? (4) Hoe kan een organisatie ervoor zorgen dat de interacties goed worden uitgevoerd?
Een organisatie betreft een groep mensen die gedrag vertonen om gemeenschappelijke doelen te
behalen. Dit is echter maar één perspectief op organisaties, maar er bestaan meerdere. Sommige
vinden de definitie van organisaties niet intuïtief, het gaat tegen de intuïtie in. De omschrijving wordt
in dit vak wel als uitgangspunt genomen. De vier vragen leveren een raamwerk om naar organisaties
te kijken. De vragen leiden tot een model.
Vraag 1: Doelen
Doelen worden gerealiseerd? Maar over welke doelen gaat het? Een belangrijk doel voor een
organisatie is het voortbrengen van diensten en producten. Bedrijven hebben ook een
maatschappelijke bijdrage door bijvoorbeeld werkgelegenheid te creëren. Echter kunnen
organisaties ook negatieve maatschappelijke bijdragen voortbrengen. Zo kunnen ze bijvoorbeeld
vervuilen en verspillen. Er zijn ook organisaties die gericht zijn op de negatieve bijdragen die andere
organisaties voortbrengen. Doelen die hierop gebaseerd kunnen zijn:
- Producten en diensten leveren
- Positieve bijdragen leveren
- Negatieve bijdragen voorkomen/tegengaan
Organisaties streven er naartoe om te overleven. Er is een spanning tussen de doelen die een
organisatie nastreeft en de doelen die een werknemer nastreeft. Hoe zorg je ervoor dat deze doelen
op elkaar zijn afgestemd?
Groep mensen Gedrag Doel (1) producten + diensten, (2) maatschappelijke bijdrage.
Vraag 2: Gedrag
Welk gedrag van mensen bestempelen we als organisatorisch gedrag? Gedrag in organisaties betrekt
zich tot vier verschillende activiteiten. Dit is terug te zien in iedere organisatie. De eerste twee
activiteiten zijn cruciaal in een organisatie.
1. Het uitvoeren van primaire processen Dit iets waarbij er sprake is van invoering, wat er
dan gebeurt heet het transformatie proces. Hier komt ook iets uit.
I TP U.
2. Operationeel regelen Het is belangrijk dat de activiteiten uit het primaire proces goed
uitgevoerd worden. Het primaire proces moet door kunnen gaan.
3. Het stellen van doelen In een organisatie wordt nagedacht over doelen t.a.v. de primaire
processen. Welke producten en diensten moeten geleverd worden? Hoeveel moet hiervan
gemaakt worden om te kunnen bestaan? Doelen zijn kwantitatief en kwalitatief.
4. Ontwerpen (zorgen voor voorwaarden) Er moeten voorwaarden in de organisatie
geïnstalleerd worden zodat de andere activiteiten uitgevoerd kunnen worden. Dit is de
Hoorcollege 1 – introductie
Opdrachten 1, 3 en 4 moeten worden ingeleverd, hardcopy in de les (maandag). Tentamenstof: boek
(h1-h13), klassieke teksten, stof van colleges en opdrachten.
Centrale vragen
Organisaties: ‘’Sociale systemen, waarin mensen interacteren en door die interactie een
gemeenschappelijk doel proberen te realiseren.’’
Er zijn vier belangrijke vragen: (1) Wat zijn die interacties? (2) Wat is het doel? (3) Wat beïnvloedt die
interacties? (4) Hoe kan een organisatie ervoor zorgen dat de interacties goed worden uitgevoerd?
Een organisatie betreft een groep mensen die gedrag vertonen om gemeenschappelijke doelen te
behalen. Dit is echter maar één perspectief op organisaties, maar er bestaan meerdere. Sommige
vinden de definitie van organisaties niet intuïtief, het gaat tegen de intuïtie in. De omschrijving wordt
in dit vak wel als uitgangspunt genomen. De vier vragen leveren een raamwerk om naar organisaties
te kijken. De vragen leiden tot een model.
Vraag 1: Doelen
Doelen worden gerealiseerd? Maar over welke doelen gaat het? Een belangrijk doel voor een
organisatie is het voortbrengen van diensten en producten. Bedrijven hebben ook een
maatschappelijke bijdrage door bijvoorbeeld werkgelegenheid te creëren. Echter kunnen
organisaties ook negatieve maatschappelijke bijdragen voortbrengen. Zo kunnen ze bijvoorbeeld
vervuilen en verspillen. Er zijn ook organisaties die gericht zijn op de negatieve bijdragen die andere
organisaties voortbrengen. Doelen die hierop gebaseerd kunnen zijn:
- Producten en diensten leveren
- Positieve bijdragen leveren
- Negatieve bijdragen voorkomen/tegengaan
Organisaties streven er naartoe om te overleven. Er is een spanning tussen de doelen die een
organisatie nastreeft en de doelen die een werknemer nastreeft. Hoe zorg je ervoor dat deze doelen
op elkaar zijn afgestemd?
Groep mensen Gedrag Doel (1) producten + diensten, (2) maatschappelijke bijdrage.
Vraag 2: Gedrag
Welk gedrag van mensen bestempelen we als organisatorisch gedrag? Gedrag in organisaties betrekt
zich tot vier verschillende activiteiten. Dit is terug te zien in iedere organisatie. De eerste twee
activiteiten zijn cruciaal in een organisatie.
1. Het uitvoeren van primaire processen Dit iets waarbij er sprake is van invoering, wat er
dan gebeurt heet het transformatie proces. Hier komt ook iets uit.
I TP U.
2. Operationeel regelen Het is belangrijk dat de activiteiten uit het primaire proces goed
uitgevoerd worden. Het primaire proces moet door kunnen gaan.
3. Het stellen van doelen In een organisatie wordt nagedacht over doelen t.a.v. de primaire
processen. Welke producten en diensten moeten geleverd worden? Hoeveel moet hiervan
gemaakt worden om te kunnen bestaan? Doelen zijn kwantitatief en kwalitatief.
4. Ontwerpen (zorgen voor voorwaarden) Er moeten voorwaarden in de organisatie
geïnstalleerd worden zodat de andere activiteiten uitgevoerd kunnen worden. Dit is de