4 EVRM
Het Europees verdrag voor de rechten van de mens is ongetwijfeld het belangrijkste verdrag voor het
Nederlandse personen- en familierecht. Vooral sinds 13 juni 1979, toen het Europese Hof het
Marckx-arrest wees, springt het belang van dit verdrag in het oog. Het hof besliste dat de
onderscheiding tussen wettige en natuurlijke kinderen en die tussen gehuwde en ongehuwde
moeders in het Belgische recht discriminatoir zijn. Het gaat daarbij in het bijzonder om de artikelen 8
en 14 EVRM. Omdat het EVRM direct werkende bepalingen heeft, is deze uitspraak ook voor
Nederland van groot belang (art 94 Grondwet).
De werking van het EVRM heeft zowel een positief als een negatief aspect.
Positief wanneer de Nederlandse wetgeving door maatschappelijke ontwikkelingen is achterhaald
dan wel hiaten vertoont, de Hoge Raad c.q. het Europese Hof in het concrete geval tot een
bevredigende oplossing kan komen door toepassen van artikel 8, al dan niet in verbinding met artikel
14 EVRM. Het begrip ‘family life’ is immers zeer rekbaar.
Negatief juist door de abstractie van dit begrip ontstaat er al snel rechtsonzekerheid.
Hoofdstuk 2 algemene bepalingen
11 rechtsbevoegd in verhouding tot handelingsbevoegd en handelingsbekwaamheid
Art 1:1 lid 1 bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden, vrij zijn en bevoegd tot het genot van
burgerlijke rechten. Dit betekent dat iedereen in Nederland rechtsbevoegd is, dus bevoegd om
rechtssubject – subject van rechten en verplichtingen – te zijn. Rechtsbevoegdheid moet worden
onderscheiden van handelingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid. Bij handelingsbevoegdheid
gaat het om de bevoegdheid tot zelfstandig verrichten van rechtshandelingen in concreto en bij
handelingsbekwaamheid om de mogelijkheid tot het zelfstandig verrichten van rechtshandelingen in
abstracto. Voorbeelden van handelingsonbevoegdheid treft men aan in art 3:43, terwijl van
handelingsonbekwaamheid slechts sprake is bij twee categorieen van personen, te weten
minderjarigen die zonder toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger handelen, welke
toestemming evenmin mag worden verondersteld (art 1:234) alsmede onder curatele gestelde (art
1:381 lid 2)
12 fictief bestaan van ongeboren kind
Blijkens artikel 1:2 wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is, als reeds geboren aangemerkt, zo
dikwijls zijn belang dit vordert. Komt het kind dood ter wereld dan wordt het geacht nooit te hebben
bestaan. Dit artikel is vooral van belang voor het erfrecht.
13 belang van bloed- en aanverwantschap
In art 1:3 is aandacht besteed aan bloed- en aanverwantschap. Het is voor tal van rechtsgebieden van
belang of er sprake is van bloed- of aanverwantschap. Met kan daarbij denken aan het huwelijksrecht
waarin is geregeld dat te nauwe bloedverwanten niet met elkaar mogen huwen (1:41) ook
geregistreerde partners mogen geen te nauwe bloedverwanten van elkaar zijn (art 1:80a lid 5 i.v.m.
art 1:41) in het alimentatierecht is geregeld dat bepaalde personen o.g.v. bloed- of aanverwantschap
tot het verstrekken van levensonderhoud zijn gehouden (art 1:392 e.v.) curatele kan niet alleen
worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot, geregistreerde partner, maar ook door
o.a. zijn bloedverwanten in de rechte zijlijn tot en met de vierde graad (art 1:379 lid 1) hetzelfde
geldt voor een onderbewindstelling van een meerderjarige (art 1:432 lid 1) en voor een verzoek tot
mentorschap van een meerderjarige (art 1:451 lid 1).
14 juridische en biologische bloedverwantschap: graad van bloedverwantschap