Hoofdstuk 1 Wat is economie?
Economie is geen exacte wetenschap. Wetenschappers zeggen dat alles economie is (leven +
universum). Economie begint, volgens de schrijver, bij produceren.
De Neoklassieke school definieert economie als: ‘de wetenschap die menselijk gedrag bestudeert als
relatie tussen doelen en schaarse middelen die op verschillende manieren kunnen worden
aangewend’.
Economie is een studie van rationele keuzes: dat zijn de keuzes op basis van weloverwogen,
systematische calculatie van de best mogelijke manier waarop een doel bereikt kan worden met
behulp van de onvermijdelijke schaarse middelen.
Calculatie kan op van alles betrekking hebben (huwelijk, kinderen, misdaad of drugsverslaving), dus
niet alleen op werk, geld of internationale handel.
Economische imperialisme is de trend om de ‘economische benadering’ op alles toe te passen.
Geld staat symbool voor wat anderen in de samenleving jou schuldig zijn, of voor jouw aanspraak op
een zeker deel van de geldmiddelen van de samenleving. De financiële economie gaat over aandelen,
derivaten en andere complexe financiële producten.
De meest gebruikelijke manier om aan geld te komen:
Werken (hoeveel je verdient, hang af van vaardigheden, technologische innovaties en
internationale handel).
Overdrachten (je krijgt geld in de vorm van: geld, producten of diensten).
Verzorgingsstaat is een sociaal systeem waarin de staat primaire verantwoordelijkheid draagt het
welzijn van zijn burgers.
Progressief belastingstelsel betekent dat degene die meer verdienen, meer belasting betalen.
Algemene uitkeringen zorgen ervoor dat iedereen recht heeft op een minimuminkomen en op
basisvoorzieningen (gezondheidszorg en onderwijs).
Goederen zijn producten die je aan kunt raken (voedsel, kleding en huisvesting).
Diensten goederen die niet aangeraakt kunnen worden (busrit).
Het vak economie houdt zich bezig met het bestuderen van consumptie: Hoe mensen geld besteden
aan verschillende typen goederen en diensten, he ze keuzes maken tussen concurrerende variëteiten
van hetzelfde product en hoe ze worden gemanipuleerd worden door reclame en hoeveel bedrijven
uitgeven aan marketing.
Arbeid is het werk van mensen.
Kapitaal zijn machines en gereedschap.
Productie is de fundamentele basis van de economie. Sterker nog, veranderingen op het gebied van
de productie zijn over het algemeen de krachtigste aanjagers van sociale veranderingen geweest.
Volgens de neoklassieke benadering is er maar 1 manier om economie te beschrijven.
, Hoofstuk 2 Het kapitalisme van 1776 tot 2014
Adam Smith begint met de bewering dat de vergroting van rijkdom mogelijk wordt gemaakt door de
productiviteit te verhogen d.m.v. een verdergaande arbeidsdeling: het opdelen van het
productieproces in kleinere, gespecialiseerde onderdelen.
De arbeidsproductiviteit neemt op drie manieren toe:
1. Door steeds dezelfde een of twee taken te verrichten, worden arbeiders er sneller goed in.
2. Arbeiders hoeven door zich te specialiseren geen tijd te verspillen met fysiek en mentaal
switchen en van de ene naar de andere taak > verminderen omschakelingskosten.
3. Door een fijnere onderverdeling van het productieproces kan alles makkelijker
geautomatiseerd worden en dus sneller uitgevoerd worden.
Wat is er veranderd sinds de tijd van Adam Smith:
- Productietechnologieën (hoe dingen worden gemaakt).
- Economische actoren (degenen die zich met economische activiteiten bezighouden).
- Economische instituties (de regels die bepalen hoe de productie en andere economische
activiteiten zijn georganiseerd).
- Kapitalisme (een economie waarin de productie wordt georganiseerd met als doel winst te
maken, i.p.v. de productie alleen voor de eigen consumptie aan te wenden (zoals
zelfvoorzieningslandbouw) of om die te gebruiken om aan politieke verplichtingen te
voldoen).
- Arbeiders.
- Markten.
- Geld, het financiële systeem.
Winst is het verschil tussen wat je verdient door iets op de markt te verkopen (omzet) en de kosten
van alle voor de productie benodigde inputs.
Kapitalisme wordt georganiseerd door kapitalisten of door degene die kapitaalgoederen
/productiemiddelen bezitten. Kapitalisten bezitten de productiemiddelen direct of indirect via
aandelen in een bedrijf.
Kapitalisten huren werknemers in loondienst in voor de productie. Kapitalisten maken winst via de
markt. Smith geloofde dat concurrentie tussen verkopers op de markt ervoor zorgen dat
producenten die naar winst streven tegen de laagst mogelijke kosten zullen producerenen daar heeft
iedereen voordeel van.
Vandaag de dag zijn de meeste fabrieken eigendom van en worden ze geleid door onnatuurlijke
personen > concerns.
Tegenwoordig geldt voor eigenaren van de meeste grote concerns slecht een beperkte
aansprakelijkheid: bij verlies, kunnen de beleggers alleen het geïnvesteerde geld verliezen.
Bedrijven waren in de tijd van Smith klein en hadden 1 enkele productielocatie. Tegenwoordig zijn
bedrijven enorm groot en hebben vaak duizenden mensen in dienst.
Arbeiders waren in de tijd van Smith niet in loondienst van kapitalisten. De meerderheid was
werkzaam in de landbouw en waren kleine boeren of pachters (pachten grond in ruil voor een deel
van de opbrengst) van aristocratische pachtheren. Vandaag de dag ziet het er anders uit: kinderen
mogen niet werken, er zijn geen slaven meer, ong. 10% is zelfstandig en de rest is in loondienst.
In Smiths tijd hadden de markten meestal een lokale of op zijn hoogst een nationale reikwijdte. Deze
markten werden bediend door talrijke kleinschalige bedrijven (volkomen mededinging).
Tegenwoordig worden de meeste markten bevolkt en vaak gemanipuleerd door grote bedrijven.