Paragraaf 1 – Verlichte ideeën over de ideale samenleving
Geleerden waren in de Middeleeuwen meestal geestelijken. Vanaf de Renaissance kwamen er ook steeds
meer onderzoekers die geen geestelijke waren. Zij gingen ook dingen bestuderen die niet met de godsdienst
te maken hadden. Het gevolg was een periode met een groot aantal uitvindingen, die later de
Wetenschappelijke Revolutie is genoemd. Kenmerken:
Nieuwe manier van onderzoeken: observeren, experimenteren en redeneren
Grote veranderingen in het leven van de mens door uitvindingen (nieuwe energiebronnen, medische
zorg)
Verzet van de Kerk (gepaard met geweld) en aanvankelijk ook van de overheid en sommige
bevolkingsgroepen.
Renaissance-onderzoekers wilden elk onderzoek van de natuur baseren op waarneming, ervaring en
experiment. Dit wordt empirisme genoemd.
In de 16e eeuw ondervonden onderzoekers nog veel tegenstand van de katholieke kerk. De kerk verloor niet
alleen haar greep op de wetenschap, maar ook belangrijke kerkelijke opvattingen werden door
onderzoeksresultaten soms ondermijnd. De bekendste 'slachtoffers' van de kerkelijke tegenstand:
Giordano Bruno (1548 – 1600) → sloot zich in 1563 aan bij de Dominicanen. In 1572 werd hij gewijd
tot priester. Vier jaar later vluchtte hij uit het klooster, omdat hij een aanklacht wegens ketterij
verwachtte.
◦ Hij was aanhanger van Copernicus, die beweerde dat de aarde om de zon draait. Ook was hij
aanhanger van Luther.
Galileo Galilei (1564 – 1642) → bewees met behulp van telescopen dat Copernicus gelijk heeft. Hij
werd van ketterij beschuldigd en werd gevangengenomen.
Vanaf het einde van de 16e eeuw werd het klimaat voor de onderzoekers gunstiger, want ze gingen
samenwerken in wetenschappelijke verenigingen. Deze verenigingen kregen steun van regeringen.
Wetenschap ging een belangrijke positie innemen in de samenleving. Door de uitvindingen kreeg Europa
een voorsprong op de rest van de wereld.
Isaac Newton (1642- 1727): stelde de leer van de zwaartekracht op.
Antoni van Leeuwenhoek (1632 – 1723): ontwierp goede microscopen.
Door de wetenschappelijke revolutie groeide het aantal mensen dat niet meer iets als waar aannam, omdat
het in de Bijbel stond of omdat een wetenschapper uit de oudheid het had gezegd. Ze gingen vertrouwen op
hun eigen verstand.
De 18e eeuw wordt de Verlichting genoemd. Verlichters vonden dat de samenleving met het verstand
moest worden onderzocht, zodat de kennis van mensen zou toenemen. Deze visie wordt het rationalisme
genoemd. Het rationalisme leidde tot optimisme en de vooruitgangsgedachte.
Verlichters en sociale verhoudingen → verlichters vonden het belangrijk dat je tijdens je leven op
aarde gelukkig bent, en niet dat je je moet voorbereiden op de dood. Vrijheid en gelijkheid waren
daarbij belangrijk. Er waren verschillen over het denken over gelijkheid:
◦ Verschillen over het denken over taken van vrouwen
▪ Volgens het merendeel hadden mannen en vrouwen gescheiden taken.
◦ Verschil in het denken over de afschaffing van slavernij
▪ Alle mensen zijn gelijk, ongeacht hun cultuur, etnische afkomst en volk waartoe ze horen
Verlichters en de godsdienst
◦ Religieuze tolerantie → andersdenkenden niet bestrijden
◦ Scheiding tussen kerk en staat
◦ Over de invloed van God waren de verlichters het niet eens:
▪ Sommigen zeiden dat God de schepper van de aarde was, maar dat God zich niet
bezighield met het dagelijks leven
▪ Anderen wisten niet of ze wel of niet in God moesten gelogen. Ze worden agnosten
genoemd: niet wetenden.
Verlichters en economie
◦ Ieder individu moet de vrijheid hebben zijn eigenbelang na te streven.
, ◦ Iedere staat moet zijn economisch beleid laten rusten op de pijlers vrijemarkteconomie,
vrijhandel en zo weinig mogelijk ingrijpen van de overheid
Verlichters en politiek
◦ Belangrijkste uitgangspunten van de verlichters:
▪ Volkssoevereiniteit
▪ Sociaal contract tussen vorst en volk of tussen burgers onderling
Voorkomen dat er nieuwe oorlogen uitbreken
▪ Trias Politica (Montesquieu) → vrijheid garanderen
Verbreiding van de Verlichting
Boeken, tijdschriften en bibliotheken
◦ Drukpers
◦ Belangrijkste boek Verlichting: Encyclopedie
Salons
◦ Bijeenkomst in het huis van meestal een vrouw uit de bovenlaag van de bevolking
▪ Ze nodigde onderzoekers, kunstenaars, ambtenaren, zakenlieden en andere
▪ Belangstellenden uit om met elkaar te praten
Toneel
Ontduiken van censuur
◦ Kritiek niet direct uiten, maar door te schrijven over fictieve personen of andere volken
◦ Dubbelzinnige formuleringen kiezen
◦ Boeken illegaal in het buitenland uitgeven
Paragraaf 2 – Het absolutisme gaat in de Europese politiek toon aangeven
Ancien Régime: Geschiedenis van Frankrijk tussen 1660 en 1789.
Absolute macht van de Franse koning en pracht en praal aan zijn hof.
In de 15e, 16e en 17e eeuw breidden de Europese vorsten hun macht steeds meer uit. Dit leidde tot het
absolutisme → regeringsvorm waarbij de vorst alle macht in handen heeft en zich daarbij beroept op het
Droit Divin (de absolute vorst is door God aangesteld om te regeren).
Uitbreiding op politiek gebied → centralisatie
Uitbreiding op economisch gebied → mercantilisme → meer producten uitvoeren dan invoeren,
zodat er meer geld binnen kwam dan eruit ging.
Uitbreiding op militair gebied → vorst had geweldsmonopolie (zeggenschap over politie en leger)
◦ Lodewijk XIV richtte een eigen leger op dat altijd beschikbaar was (zgn. staand leger)
Uitbreiding op godsdienstig gebied → slechts één godsdienst toestaan
◦ Enerzijds uit religieuze overtuiging, anderzijds godsdienstoorlog voorkomen.
In Europa waren in twee landen geen vorsten die absoluut gezag hadden:
De Republiek → Tijdens de Opstand zegden de opstandige gewesten aan Filips II hun trouw op
(Plakkaat van Verlatinghe). In 1588 ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, een
bond van zelfstandige gewesten.
Engeland → Sinds 1215 kan de vorst geen belasting opleggen zonder toestemming van de adel.
Later kwam een parlement.
Verlicht absolutisme / verlichte dispoten: Regeringsvorm van vorsten (verlichte dispoten) die in de 18e
eeuw bereid waren een aantal verlichte ideeën uit te voeren. De vorsten hielden wel alle macht in handen.
Bijvoorbeeld Frederik van Pruisen. Hij schafte de pijnbank af, voerde een beperkte persvrijheid in,
gaf christelijke minderheden meer vrijheid en schafte de horigheid af.
Paragraaf 3 – De Franse Revolutie
Eerste stand: geestelijken
Tweede stand: edelen
Derde stand: gegoede burgers in steden en gegoede boeren.
Arme bevolking in steden en op het platteland werden niet meegeteld.
Indirecte oorzaken:
De Geestelijkheid en de Adel hebben het veel beter → De kerk en adel hadden veel land en