Hoofdstuk 1
9 domeinen bij taalonderwijs
- mondelinge taalvaardigheid (spreken en luisteren)
- woordenschat (betekenis woorden, uitdrukkingen, spreekwoorden)
- beginnende geletterdheid (3 stadia: ontluikend, beginnend, gevorderd)
- voortgezet technisch lezen (doel: vlot en nauwkeurig lezen)
- begrijpend lezen (begrijpen van een tekst)
- stellen (schrijven van teksten)
- jeugdliteratuur (doel: kinderen te laten zien van verschillende genres)
- taalbeschouwing (reflecteren op taalvorm en gebruik van taal)
- spelling (correct schrijven, spellingsregels, regels voor interpunctie)
Elk domein heeft kenniselementen (worden behandeld in het boek)
1. leerinhoud
2. domeintechniek
3. fundament
4. taaldidactiek
—> 1 en 3 komen in de toets voor (leerinhoud&fundament)
1. leerinhoud: houdt in wat de leerling moet weten. Zijn kerndoelen en tussendoelen
3. fundament: voor elk domein heb je bepaalde achtergrondkennis nodig. Het is de
achtergrondkennis
,Hoofdstuk 2
Belang taalonderwijs
- schriftelijke taalvaardigheid ontwikkeld niet spontaan
- niet iedereen kan zichzelf bepaald taalniveau aanleren
- op school —> ander soort taalgebruik
- bepaalde taalvormen leer je door taalonderwijs
- boeken voorlezen zorgt voor plezier van lezen
Taalfuncties
1. Communicatieve of sociale functie
Communicatief: we gebruiken de taal als communicatiemiddel
Sociaal: - zelfhandhaving (jezelf beschermen)
- zelfsturing (handeling verwoorden +
plannen aankondigen)
- sturing van anderen (gedrag van anderen
beïnvloeden)
- structurering van het gesprek (gespreksverloop beïnvloeden
met taal)
2. Conceptualiserende of cognitieve functie
Conceptualiserend: taal als hulpmiddel om gedachten te ordenen en greep te krijgen op
de werkelijkheid
Cognitief: - rapporteren (je maakt iets mee en verteld
erover)
- redeneren (je beschrijft een situatie maar
zet een extra denkstap. bv.
chronologische volgorde)
- projecteren (je verplaatsen in gedachten en
gevoelens van anderen)
3. Expressieve functie
Gebruik maken van taal om gevoelens te uiten en om
iets te zeggen wat nog niet eerder op zo’n manier gezegd is.
Verschillende taalniveau’s
1. fonologisch niveau —> uitspraak
2. morfologisch niveau —> opbouw van woorden
3. syntactisch niveau —> volgorde van woorden
4. semantisch niveau —> betekenis
5. pragmatisch niveau —> gebruik
6. orthografisch niveau —> spelling
, Hoofdstuk 3 (domein 1)
Theorieen over taalverwerving
1. behaviorisme
- kinderen leren taal door imitatie
2. creatieve constructietheorie
- kinderen hebben een aangeboren taalvermogen. hiermee kunnen zij op creatieve
manieren zinnen opbouwen
3. interactionele benadering
- aangeboren taalvermogen + interactie met omgeving is belangrijk
Eerste taalverwering —> moedertaal
Twee perioden:
1. Prelinguale periode - 0-1 jaar
- nog niet kunnen praten
- begin foneemverwerving
- 4 fasen: huilen, vocaliseren, vocaal spel, brabbelen
2. linguale periode (3 fasen) Vroeglinguale periode
- 1-2.5 jaar
- symboolbewust: woord koppelen aan voorwerp
- eenwoordzinnen —> tweewoordzinnen —> meerwoordzinnen
Differentiatiefase
- 2.5-5.5 jaar
- taalkennis verfijnd: fon, sem, syn, mor, prag.
- werkwoordstijlen worden toegepast (kan fout gaan)
Voltooiingsfase
- 5.5-9 jaar
- taalproces is afgerond, echter verbeterd de tal van het kind nog wel
Tweede taalverwering
Moedertaal moet op bepaald niveau zijn, dan kan je pas een tweede taal leren.
Simultane tweetaligheid: twee talen +- tegelijkertijd aangeboden
Successieve tweetaligheid: eerste taal aangeleerd, tweede taal volgt
Interferentiefouten: als je een tweede taal leert, neem je altijd kennis van je moedertaal
mee. Als er verschillen in taal zitten kan je daarin een fout maken. bv.
zinsbouw
Fasen tweedetaalverwerving
1. stille fase
2. zelfredzaamheidsfase
3. omgangstaal
4. redeneertaal