sport’
Niveau Omschrijving Toetswoorden
1. Onthouden (O) Memoriseren, ophalen relevante Noem, herken, definieer, wijs aan,
kennis, parate objectieve kennis. schrijf op, kies, vind, vul in, geef.
2. Begrijpen (B) De betekenis achterhalen van Leg uit, verklaar, verhelder,
informatie, de betekenis kunnen beschrijf, geef voorbeeld, licht toe.
verbinden met andere kennis.
3. Toepassen (T) Eerder verworven kennis en Toon aan, lijn plan van aanpak uit,
inzicht gebruiken in nieuwe los op, bereken.
situaties of om een (nieuw)
probleem op te lossen.
4. Analyseren (A) Vereenvoudigen van een Vergelijk, selecteer, deel in, bepaal
ingewikkeld probleem, kenmerk, ontleed, structureer,
materiaal/bronnen in stukjes determineer.
verdelen, ontdekken hoe de
stukjes gerelateerd zijn tot elkaar
en een complete structuur
vormen.
5. Evalueren (E) Tot een afgewogen Bekritiseer, test, beoordeel, licht
beargumenteerd oordeel komen, door, beargumenteer.
een standpunt innemen.
6. Creëren (C) Elementen toevoegen tot een Adviseer, ontwerp, construeer,
samenhangend geheel, tot iets rapporteer.
nieuws, tot een ontwerp.
Vragen en antwoorden
1. Leg uit waarom de overheid in de eindtermen van LO en BSM het domein ‘Bewegen en Gezondheid’ een
plek heeft gegeven. Welk belang heeft de overheid hiermee?
(Begrijpen, 1 punt)
Kennis en inzicht over blessures, blessurepreventie, een gezonde leefstijl bij scholieren levert mogelijk minder
blessures op en dus minder kosten voor de gezondheidszorg.
2. Omdat de sport op verschillende manieren is georganiseerd, is het handig om overzicht te hebben.
Ontwerp een organigram van een sportbond van internationaal tot lokaal.
(Creëren, 3 punten)
o Internationaal Lokale club (FC
o nationaal Twente)
o lokaal Nationale bond
Lokale club (AZ)
Nederland (KNVB)
Bijvoorbeeld:
Europese bond ...
(UEFA)
Lokale club (Bayern
Munchen)
Nationale bond
Internationale bond Duitsland (DFB)
(FIFA) ...
Aziatische bond
...
(AFC)
...