Hoorcollege 1:
Materieel strafrecht is de strafaarstelling van gedrag en het formuleren van de bijbehorende straf.
Anders gezegd wanneer is er bijv. sprake van moord en welke straf staat daar dan op.
Daarnaast staat het formele stafrecht; het strafprocesrecht, de strafvordering dat de regels geef
waarmee het materiele strafrecht kan worden verwezenlijkt. Anders gezegd waar het materiele
strafrecht betrekking heef op moord en de straf die erop staat, ziet het strafprocesrecht op het
reguleren van hoe iemand die mogelijke moord gepleegd heef, kan worden aangehouden, kan
worden vervolgd, kan worden berecht. Hoe een eventueel op te leggen straf kan worden uitgevoerd.
Materieel strafrecht Formeel strafrecht
Inhoud, werkelijkheid Vorm, procedure
Strafaarstelling van gedrag straf Verwezenlijking materiële strafrecht
We kijken bij dit vak naar het materiele strafrecht. Dat omvat dus de strafaarstelling van gedrag
zowel als het formuleren van de bijbehorende straf. Het formuleren van de bijbehorende straf
ofewel sancietoemeing, het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel. Anders gezegd deze cursus staat in
het teken van strafrechtelijke aansprakelijkheid. De voorwaarden die moeten zijn vervuld om
strafrechtelijke aansprakelijkheid te kunnen vesigen.
Wanneer is een persoon strafrechtelijk aansprakelijk? Om aansprakelijk te zijn moet iemand
strafaar zijn. De vier voorwaarden voor stafaarheid zijn:
1. Menselijke gedraging (ook rechtspersonen HC7)
2. Die valt onder een wetelijke delictsomschrijving
3. Die wederrechtelijk is
4. En aan schuld te wijten
Er is ook nog een heel aantal anderen voorwaarden te noemen die vervuld moeten zijn, voordat de
rechter kan toekomen aan het opleggen van een strafrechtelijke sancie. Een aantal voorbeelden:
1. Jan krijgt op zaterdagavond in de kroeg ruzie met Piet. Die situaie loopt uit de hand en Jan geef
Piet een aantal behoorlijk rake klappen. Daarmee maakt Jan zich wellicht schuldig aan het delict
van zware mishandeling strafaar gesteld in art. 302 Sr. Piet moet met de ambulance mee. Piet
ligt gefieerd in die ambulance maar door de zware mist ziet de ambulancechaufeur een bocht
over het hoofd en laat die bocht nou net bij een kanaal zijn. Dus die ambulance het kanaal in. De
ambulance medewerkers kunnen zichzelf nog net redden maar Piet die verdrinkt. Jan heef
zichzelf schuldig gemaakt aan zware mishandeling maar uiteindelijk is Piet wel overleden. Kun je
nu zeggen dat onder deze feiten/omstandigheden de zware mishandeling de dood tot gevolg
hebben? Jan heef Piet weliswaar mishandeld, maar is ook de dood van Piet nu het gevolg van de
mishandeling? Anders gezegd bestaat er een causaal verband? Bestaat er een noodzakelijk
verband tussen de mishandeling en de dood van het slachtofer? Causaal verband is vereist om
Jan strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen voor zware mishandeling de dood tot gevolg
hebbend. Als het causaal verband zou ontbreken is Jan slechts aansprakelijk voor de zware
mishandeling seq.
2. Jan heef Piet een paar stevige klappen verkocht. Piet heef door die klappen zijn neus gebroken.
De OvJ legt die feitencomplei aan Jan ten laste als zware mishandeling art. 302 lid 1 Sr. Het aan
een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengen. De rechtbank ziet het anders, die zegt
het is vervelend wat Piet is overkomen, maar een gebroken neus is niet zonder meer aan te
merken als zwaar lichamelijk letsel daar moet nog iets bijkomen. Met daar oordeel heef
, Rechtbank wel de Hoge Raad aan zijn zij. Het is vaste rechtspraak dat een enkele gebroken neus
niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel oplevert. Het betekent dus ook dat Jan wordt
vrijgesproken van zware mishandeling. Nu zou de OvJ ervoor kunnen kiezen om tegen die
vrijspraak Hoger Beroep in te stellen. Dat doet hij niet, hij berust zich in deze uitspraak. Hij denkt
als de vrijspraak onherroepelijk is geworden dan ga ik Jan gewoon voor eenvoudige mishandeling
vervolgen art. 300 Sr.
De OvJ gaat over tot dagvaarding van Jan wegens eenvoudige mishandeling. De vraag is nu dus
wel of Jan die onherroepelijk is vervolgd wegens zware mishandeling nogmaals mag worden
vervolgd voor hetzelfde pakslaag die hij Piet heef gegeven. Art. 68 Sr ne bis in idem, niemand
mag andermaal voor hetzelfde feit worden vervolgd.
3. Sophie werkt als huishoudster bij de familie Jansen en woont ook bij hun in huis. Op een bepaald
moment gaat mevrouw Janssen met vriendinnen op stap. De heer Jansen blijf thuis en Sophie
heef al een langere ijd een oogje op hem wat wederzijds is. Van het een kwam het ander en zij
raakte zwanger. Dat vertelt ze niemand en draagt ruimere kleding ijdens de zwangerschap en
neemt ijdens haar bevalling vrij. rriest maar waar ze bevalt helemaal alleen, wat zeer riskant is.
Ze beroof haar kind direct na de geboorte van het leven art. 291 Sr kindermoord met 9 jaar
gevangenisstraf. Aanzienlijk lager als wat er staat op een gewone moord ijdelijke
gevangenisstraf van 30 jaar of levenslang. De OvJ legt haar ten laste de generale de algemene
moord ei. art. 289 Sr. De rechter vraagt zich af hoe hij het feit moet kwalifceren als kindermoord
of moord (kwalificatievraag = 2de vraag art. 350 Sv). Art. 55 Sr komt hierin beeld (HC9).
- De zaak van Sietske H. in de media lijkt hierop. Sietske H heef vier van haar baby’s vermoord. Zij
is in hoger beroep veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en tbs. Dit fenomeen heef
neonaicide, houdt in dat de moeder 24 uur na de bevalling haar pasgeborene om het leven
brengt. De afwikkeling verschilt van zaak tot zaak. Er zijn moeders die het overleden kindje bij
zich houden in een kast bijv., er zijn moeder die het kindje met het huisvuil meegeven, of
moeders die het kindje begraven en de vraag is natuurlijk wat heef iemand bezield om dit
allemaal te doen?
Het legaliteitsbeginsel: materiaal legaliteitsbeginsel is neergelegd in art. 1 lid 1 Sr: ‘Geen feit is
strafaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wetelijke strafepaling’.
Breed (internationaal) erkend beginsel:
- Art. 7 EVRM (vgl. EHRM NJ 1997/1)
- Art. 15 IVBPR
- Art. 16 Grondwet
- Art. 11 lid 2 Universele verklaring van de rechten van de mens
- Art. 49 Handvest van de grondrechten van de EU
‘Wettelijk’: wet in formele zin en wet in materille zin
Anders dan in het formele strafrecht waar het legaliteitsbeginsel in de zin van art. 1 Sv met zich
brengt dat strafvordering alleen plaats heef op de wijze bij de wet in formele zin voorzien. Heef art.
1 lid 1 Sr naast de wet in formele zin ook betrekking wetgeving in materiele zin (zoals de APV). Dat
betekent dus ook dat de gemeente ook strafepalingen mag maken, maar geen bepalingen van
strafprocesrecht daar staat art. 1 Sv aan in de weg (WIFZ). Het term wetelijke maakt mogelijk dat
lagere regelgever wel strafepalingen creëren.
Materieel strafrecht is de strafaarstelling van gedrag en het formuleren van de bijbehorende straf.
Anders gezegd wanneer is er bijv. sprake van moord en welke straf staat daar dan op.
Daarnaast staat het formele stafrecht; het strafprocesrecht, de strafvordering dat de regels geef
waarmee het materiele strafrecht kan worden verwezenlijkt. Anders gezegd waar het materiele
strafrecht betrekking heef op moord en de straf die erop staat, ziet het strafprocesrecht op het
reguleren van hoe iemand die mogelijke moord gepleegd heef, kan worden aangehouden, kan
worden vervolgd, kan worden berecht. Hoe een eventueel op te leggen straf kan worden uitgevoerd.
Materieel strafrecht Formeel strafrecht
Inhoud, werkelijkheid Vorm, procedure
Strafaarstelling van gedrag straf Verwezenlijking materiële strafrecht
We kijken bij dit vak naar het materiele strafrecht. Dat omvat dus de strafaarstelling van gedrag
zowel als het formuleren van de bijbehorende straf. Het formuleren van de bijbehorende straf
ofewel sancietoemeing, het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel. Anders gezegd deze cursus staat in
het teken van strafrechtelijke aansprakelijkheid. De voorwaarden die moeten zijn vervuld om
strafrechtelijke aansprakelijkheid te kunnen vesigen.
Wanneer is een persoon strafrechtelijk aansprakelijk? Om aansprakelijk te zijn moet iemand
strafaar zijn. De vier voorwaarden voor stafaarheid zijn:
1. Menselijke gedraging (ook rechtspersonen HC7)
2. Die valt onder een wetelijke delictsomschrijving
3. Die wederrechtelijk is
4. En aan schuld te wijten
Er is ook nog een heel aantal anderen voorwaarden te noemen die vervuld moeten zijn, voordat de
rechter kan toekomen aan het opleggen van een strafrechtelijke sancie. Een aantal voorbeelden:
1. Jan krijgt op zaterdagavond in de kroeg ruzie met Piet. Die situaie loopt uit de hand en Jan geef
Piet een aantal behoorlijk rake klappen. Daarmee maakt Jan zich wellicht schuldig aan het delict
van zware mishandeling strafaar gesteld in art. 302 Sr. Piet moet met de ambulance mee. Piet
ligt gefieerd in die ambulance maar door de zware mist ziet de ambulancechaufeur een bocht
over het hoofd en laat die bocht nou net bij een kanaal zijn. Dus die ambulance het kanaal in. De
ambulance medewerkers kunnen zichzelf nog net redden maar Piet die verdrinkt. Jan heef
zichzelf schuldig gemaakt aan zware mishandeling maar uiteindelijk is Piet wel overleden. Kun je
nu zeggen dat onder deze feiten/omstandigheden de zware mishandeling de dood tot gevolg
hebben? Jan heef Piet weliswaar mishandeld, maar is ook de dood van Piet nu het gevolg van de
mishandeling? Anders gezegd bestaat er een causaal verband? Bestaat er een noodzakelijk
verband tussen de mishandeling en de dood van het slachtofer? Causaal verband is vereist om
Jan strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen voor zware mishandeling de dood tot gevolg
hebbend. Als het causaal verband zou ontbreken is Jan slechts aansprakelijk voor de zware
mishandeling seq.
2. Jan heef Piet een paar stevige klappen verkocht. Piet heef door die klappen zijn neus gebroken.
De OvJ legt die feitencomplei aan Jan ten laste als zware mishandeling art. 302 lid 1 Sr. Het aan
een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengen. De rechtbank ziet het anders, die zegt
het is vervelend wat Piet is overkomen, maar een gebroken neus is niet zonder meer aan te
merken als zwaar lichamelijk letsel daar moet nog iets bijkomen. Met daar oordeel heef
, Rechtbank wel de Hoge Raad aan zijn zij. Het is vaste rechtspraak dat een enkele gebroken neus
niet zonder meer zwaar lichamelijk letsel oplevert. Het betekent dus ook dat Jan wordt
vrijgesproken van zware mishandeling. Nu zou de OvJ ervoor kunnen kiezen om tegen die
vrijspraak Hoger Beroep in te stellen. Dat doet hij niet, hij berust zich in deze uitspraak. Hij denkt
als de vrijspraak onherroepelijk is geworden dan ga ik Jan gewoon voor eenvoudige mishandeling
vervolgen art. 300 Sr.
De OvJ gaat over tot dagvaarding van Jan wegens eenvoudige mishandeling. De vraag is nu dus
wel of Jan die onherroepelijk is vervolgd wegens zware mishandeling nogmaals mag worden
vervolgd voor hetzelfde pakslaag die hij Piet heef gegeven. Art. 68 Sr ne bis in idem, niemand
mag andermaal voor hetzelfde feit worden vervolgd.
3. Sophie werkt als huishoudster bij de familie Jansen en woont ook bij hun in huis. Op een bepaald
moment gaat mevrouw Janssen met vriendinnen op stap. De heer Jansen blijf thuis en Sophie
heef al een langere ijd een oogje op hem wat wederzijds is. Van het een kwam het ander en zij
raakte zwanger. Dat vertelt ze niemand en draagt ruimere kleding ijdens de zwangerschap en
neemt ijdens haar bevalling vrij. rriest maar waar ze bevalt helemaal alleen, wat zeer riskant is.
Ze beroof haar kind direct na de geboorte van het leven art. 291 Sr kindermoord met 9 jaar
gevangenisstraf. Aanzienlijk lager als wat er staat op een gewone moord ijdelijke
gevangenisstraf van 30 jaar of levenslang. De OvJ legt haar ten laste de generale de algemene
moord ei. art. 289 Sr. De rechter vraagt zich af hoe hij het feit moet kwalifceren als kindermoord
of moord (kwalificatievraag = 2de vraag art. 350 Sv). Art. 55 Sr komt hierin beeld (HC9).
- De zaak van Sietske H. in de media lijkt hierop. Sietske H heef vier van haar baby’s vermoord. Zij
is in hoger beroep veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en tbs. Dit fenomeen heef
neonaicide, houdt in dat de moeder 24 uur na de bevalling haar pasgeborene om het leven
brengt. De afwikkeling verschilt van zaak tot zaak. Er zijn moeders die het overleden kindje bij
zich houden in een kast bijv., er zijn moeder die het kindje met het huisvuil meegeven, of
moeders die het kindje begraven en de vraag is natuurlijk wat heef iemand bezield om dit
allemaal te doen?
Het legaliteitsbeginsel: materiaal legaliteitsbeginsel is neergelegd in art. 1 lid 1 Sr: ‘Geen feit is
strafaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wetelijke strafepaling’.
Breed (internationaal) erkend beginsel:
- Art. 7 EVRM (vgl. EHRM NJ 1997/1)
- Art. 15 IVBPR
- Art. 16 Grondwet
- Art. 11 lid 2 Universele verklaring van de rechten van de mens
- Art. 49 Handvest van de grondrechten van de EU
‘Wettelijk’: wet in formele zin en wet in materille zin
Anders dan in het formele strafrecht waar het legaliteitsbeginsel in de zin van art. 1 Sv met zich
brengt dat strafvordering alleen plaats heef op de wijze bij de wet in formele zin voorzien. Heef art.
1 lid 1 Sr naast de wet in formele zin ook betrekking wetgeving in materiele zin (zoals de APV). Dat
betekent dus ook dat de gemeente ook strafepalingen mag maken, maar geen bepalingen van
strafprocesrecht daar staat art. 1 Sv aan in de weg (WIFZ). Het term wetelijke maakt mogelijk dat
lagere regelgever wel strafepalingen creëren.