Vraag 1
Aftreden staatssecretaris Weekers
Op 29 januari 2014 trad Staatssecretaris van Financiën Frans Weekers af vanwege
voortdurende problemen bij de Belastingdienst in verband met de uitbetaling van huren en
zorgtoeslagen. Tijdens het debat met de Tweede Kamer bleek dat de (voltallige) oppositie
een motie van wantrouwen voorbereidde, waarop de staatssecretaris de eer aan zichzelf
hield.
a) Wie neemt het besluit tot ontslag van een staatssecretaris? Bij koninklijk besluit
kunnen staatssecretarissen worden ontslagen. Art. 46 lid 1 GW. Een koninklijk besluit wordt
genomen door de regering (koning & ministers). Art. 48 GW stelt dat dit ook moet worden
ondertekend door minister-president.
Stel dat de staatssecretaris niet uit eigen beweging had willen opstappen en dat de Tweede
Kamer een motie van wantrouwen jegens de staatssecretaris had aangenomen.
b) Zou de staatssecretaris in dat geval verplicht zijn geweest om af te treden? Ja, het
ongeschreven staatsrecht zegt dat de staatssecretaris dan aftreedt. Dit wordt de
vertrouwensregel genoemd. Vertrouwensregel houdt in; dat als het vertrouwen in jou is
opgezegd (bijv. d.m.v. motie van wantrouwen) dan moet je opstappen. Als de motie wordt
verworpen dan mag je blijven zitten.
Stel dat ook Minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem door de Tweede Kamer ter
verantwoording wordt geroepen voor problemen bij de Belastingdienst. Hij stelt zich echter
op het standpunt dat hij niet verantwoordelijk is voor dergelijke problemen, omdat
aangelegenheden betreffende de Belastingdienst juist aan de Staatssecretaris van Financiën
zijn opgedragen.
c) Is dit standpunt staatsrechtelijk juist? Nee, staatssecretaris staat in opdracht van
minister. Maar minister blijft verantwoordelijk. Art. 46 lid 2 GW
vraag 2
Kansspelen op afstand Op 7 juli 2016 heeft de Tweede Kamer het voorstel van wet tot
wijziging van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele andere
wetten in verband met het organiseren van kansspelen op afstand aangenomen. Dit
wetsvoorstel ‘kansspelen op afstand’ introduceert een vergunningstelsel voor het aanbieden
van online kansspelen (via internet), terwijl deze activiteit voorheen was verboden. Een van
de eisen waaraan de vergunninghouder moet voldoen, is het afdragen van 29 %
kansspelbelasting.
Het voorgestelde artikel 1 van de Wet op de kansspelbelasting bepaalt daartoe het volgende:
Artikel 1
Onder de naam kansspelbelasting wordt een belasting geheven van: […]
d. degene die gelegenheid geeft tot deelname aan kansspelen op afstand die worden
aangeboden onder een vergunning die verleend is overeenkomstig de bepalingen van titel
Vb van de Wet op de kansspelen;
a) Is deze voorgestelde bepaling in de Wet op de kansspelbelasting een algemeen
verbindend voorschrift?