- De in hoofdstuk 6 beschreven indelingen (anatomische en functionele termen) en modellen
van het zenuwstelsel beschrijven. (inclusief witte stof/ grijze stof).
- De structuur en functies van de onderdelen van het centrale zenuwstelsel beschrijven en de
verbindingen (projectie, associatie en commissuurvezels) tussen deze onderdelen beschijven
zoals in hoofdstuk 6.
Terminologie van het zenuwstelsel:
- Centraal/perifeer -> het zenuwstelsel bestaat uit 2 delen, het centrale en het perifere zenuwstelsel.
Het centraal zns bestaat uit ruggenmerg, hersenstam en hersenen. Het perifere zns bestaat uit de
hersenzenuwen(12), spinale zenuwen(31) en hun vertakkingen(o.a. plexus)
- Animaal/vegetatief -> Animale zns zijn alle functies en structuren die betrokken zijn bij het
waarnemen van de buitenwereld en bij de sensoriek en motoriek. Vegetatief zijn de functies en
structuren die gericht zijn op de instandhouding van de homeostase, groei en voortplanting. Het
vegetatieve zns bestaat uit het sympathitsch(arbeid) en orthosympatisch(herstel) zns.
- Tractus -> een bundel zenuwvezels(axonen) heet in het CZS een tractus.
- Nervus -> een vezelbundel in het perifere zns
- Neuron -> zenuwcel
- Zenuwvezel -> neuron+omringende schede
- axon -> lange uitloper van zenuwcel
- Piramidebaan -> de willekeurige motoriek(a-motoneuron/efferent) verloopt via de tractus
corticospinalis(motorische cortex naar a-motoneuron/spiervezels)
Hyargisch of fylogenetisch model(Ernst Haeckel):
- Het model legt een verband tussen de organisatie van het zns en de manier waarop het zich heeft
ontwikkeld.
- Fylogenese is de historische ontwikkeling(evolutie) en de ontogenese de ontwikkeling van het
individu uit de bevruchte cel.
- De activiteiten van de lagere niveaus worden gestuurd door de hogere, een remmende aard -> er is
sprake van inhibitie in de 3 niveaus:
- Aandoening van de hersenschors/neoniveau kan leiden tot verlies van hogere cognitieve functies,
fijne willekeurige motoriek, ontremming van reflexen(bv spasme) en ontremde emoties
(dwanghuilen/lachen)
1. Archiniveau: aangeboren reflexen/reptielenbrein
> automatisch verlopen processen zoals homeostase, reflexen, slaap/waak, basale
automatische bewegingen en houdingsregulatie
> grijze stof en kern gebieden hersenstam
2. Paleoniveau: uiting van emoties en automatische bewegingspatronen/zoogdierenbrein
> automatische bewegingspatronen(lopen, zwemmen), emoties/gedrag
> hypothalamus en basale kernen aan de basis van de grote hersenen
3. Neoniveau: hogere cognitieve functies en willekeurige bewegingen/ neocortex
> mentale processen(planning,taal), bewuste waarneming, willekeurige motoriek(buiten
patroon)
> grootste deel van de hersenschors