Gedragswetenschappen hoorcollege week 1:
Welke maatschappelijke ontwikkelingen beïnvloeden:
Toename echtscheiding:
o Minder streng geloof, ontkerkeling van Nederland.
o Emancipatie van de vrouw, vroeger ondergeschikt aan de man. Nu werkt een vrouw
en kan op haar eigen benen staan.
o Individualisering: ik bepaal zelf hoe mijn leven eruit ziet. Ik wil gelukkig zijn. Ik wil
mijn eigen leven bepalen.
Criminaliteit:
o De multiculturele samenleving heeft bijgedragen, los van de oorzaak, dat het
bijgedragen heeft aan de criminaliteit.
o Minder sociale controle, vroeger werd je gecorrigeerd door de samenleving.
o Ontkerkeling van de samenleving. Er word niet meer gezegd door de priester of
pastoor wat goed en wat fout is.
Hoge score na NL’ers op geluksgevoel:
o Individualisering: mensen willen graag gelukkig zijn. De wetten werden vroeger al
bepaald, bijv. boerderij overnemen van vader. Nu mag je dit zelf bepalen.
o De verzorgingsstaat: vangnet voor mensen die geen werk meer hebben of die niet
kunnen werken.
Depressie:
o Vroeger mocht je dit niet snel zeggen. Vroeger was het een taboe. Vroeger niet
gediagnostiseerd.
o Er wordt veel meer van je verwacht nu, omdat je het niet aankan. Burn-out, als het
niet lukt: verminderd worden van zelfbeeld.
Alcoholgebruik onder jongeren/ouderen:
o Te veel tijd, meer geld.
o Eenzaamheid
Van welke samenlevingsverbanden maak je deel uit. Hoe beïnvloeden deze je?
Microniveau:
o Het gezin, straat, kleine samenlevingsverbanden.
Mesoniveau:
o School, ziekenhuis, buurt, instelling. Op instellingsniveau, schilderswijk.
Macroniveau:
o Niveau van de samenleving. Wat gebeurd er in onze samenleving.
Relevantie sociologie en verpleegkunde:
(Ziekte- gezondheids-) gedrag begrijpen vanuit sociale context:
o In wat voor een milieu groeit iemand op.
Gezondheidszorgvraagstukken (mantelzorg/ zorgconsumptie/etikettering):
o Mantelzorg wordt steeds belangrijker. Het is te zwaar.
Herleiden eigen opvattingen en gedrag:
o Wat jij van bepaalde dingen vindt of denkt. Vaak door de media beïnvloed. Waar
komen mijn opvattingen vandaan, daar houd de socioloog zich mee bezig. Vaak
aangepraat.
Inzicht in rol en positie van verpleegkundige:
o –
,Sociologische Kernbegrippen (1):
A. Subjectieve definitie van de situatie: mensen creëren hun eigen werkelijkheid (voorbeelden:
multi-culti, ouderenzorg, vp-opleiding, situatie thuis). We geven er onze eigen betekenis
(definitie) aan en hierdoor ga je handelen na deze betekenis. Dit heeft invloed op je
attitude/je houding.
B. Identiteit zelfbeeld resultaat identificatie en separatie (kijken waar je mee te maken wilt
hebben of niet) én looking-glass-self (je kijkt naar jezelf door de bril van een ander). Zelfbeeld
wordt gevormd door jezelf te spiegelen, altijd het beeld van een optelsom van hoe anderen je
zien.
C. Collectieve definitie van de situatie ‘aangeleerd’ (sub-) cultuur. Dingen die onze cultuur
zitten, die worden aangeleerd wat goed is en wat slecht.
Sociologische Kernbegrippen (2):
Referentiekader sociale bril. Wat vinden we normaal/ wat niet? Aan wie ontlenen we
referentiekader? Bovendien: selectieve waarneming.
o Typisch geval van je opvoeding en zo zie jij de wereld. Wordt gevormd door ouders,
leeftijdsgenoten, geloof/religie, media. Die beïnvloeden jouw normen en waarden.
Een referentiekader wordt (door interactie in groepering/media) actief gevormd: op deze
wijze construeren we onze werkelijkheid.
Fundamentele attributiefout: invloed (verantwoordelijkheid) persoon op handelen wordt
overschat.
Sociale kernbegrippen (3):
Etikettering (in hokje plaatsen) en stigmatisering (negatief brandmerken met grote gevolgen)
Vooroordeel (vaste, vertekende, manier van voelen/denken/handelen).
Stereotypering (gelijk ten aanzien van groepen mensen).
Selffulfilling en destroying prophecy.
, Gedragswetenschappen hoorcollege week 2:
Cultuur en Interdependentie (onderlinge afhankelijkheid) / sociale stratificatie:
Sociale stratificatie:
- Stratificatie = gelaagdheid = structuur = ongelijkheid
- Criteria/mate van ongelijkheid: opleiding, inkomen, bezit, macht, kennis, status.
- Indelingen stratificatie (kenmerkend aan de opleiding):
Lage SES: Laag Sociaal Economisch Milieu
Lage opleiding, laag inkomen, weinig macht.
Middenklasse
MBO.
Hoge SES: Hoog Sociaal Economisch Milieu
HBO/WHO, hoog inkomen, meer macht, meer aanzien/status.
2 laag opgeleiden krijgen een kind. Hoe gaan ze met taal om. Nu blijkt: veel minder liedjes, minder
praten, veel meer geluiden van de omgeving.
Gevolgen sociale ongelijkheid:
- Lage SES stroomt minder door naar hogere vormen onderwijs
- Profiteren minder van voorzieningen
- Lopen toeslagen (bv. zorgtoeslag) mis. Omdat ze het niet weten.
- Eenzamer, afstand tot my, wij-zij, wantrouwiger ter attentie van overheid
- Vraag: bestaan er parallelle samenleving?
- Reproductie. Van generatie op generatie?
Sociale mobiliteit:
- Intergenerationeel
- Intragenerationeel
Wat is cultuur?
- Het geheel van opvattingen, waarden en normen in een samenleving.
- Die we ons eigen maken via leer- en gewenningsprocessen.
- En die veel invloed hebben op onze cognities en gedrag en emoties.
Dit verloopt via socialisatieprocessen (primair en secundair)
Primair: wat je als kind leert, maakt deel uit van de opvoeding.
Secundair: school, werk, dorpsgemeenschap.
Subcultuur: deels gemeenschappelijke, deels eigen kenmerken (vb.
jongerencultuur/studentencorps/motorclub)
Waarden, Normen, Deviant gedrag:
- Waarden:
Een ideaal, wat je belangrijk vind ik het leven, overtuiging, nastrevenswaardig, waar
je na streeft.
- Normen:
(on-) geschreven gedragsregels. (universele/speciale/alternatieve)
- Afwijkend gedrag:
Overtreden van de (impliciete) groepsregels.