Beginselen democratische rechtstaat week 2
A.W. Heringa,Tweehonderd jaar rechterlijke toetsing in de VS, Ars Aequi 2003, 257-265
Supreme Court in Mabury v. Madison > het supreme court concludeerde dat het bevoegd
was wetgeving aan de Grondwet te toetsen > Grondwet erkent zelf niet specifiek het
rechtelijke toetsingsrecht.
Amerikaanse grondwet: verticale en horizontale scheiding van bevoegdheden en machten
Scheiding van machten > Montesiqieu > checks and balances > geen strike scheiding >
voorbeelden: president is betrokken bij de wetgeving omdat hij wetsvoorstellen met een
veto kan treffen & president benoemd rechters & de federale rechterlijke macht
controleert beide branches: zowel daden van de wetgever kunnen op grondwettigheid
worden beoordeeld als handelingen van de executieve op verenigbaarheid met wetgeving/
Grondwet.
Wetgever: Congress (House of Representatives en de Senate)
Uitvoerende macht: president
Federale en rechtelijke macht: Supreme Court
Mabury v. Madison: Echter, en helaas voor Marbury, had hij bij de verkeerde rechter
aangeklopt: weliswaar kon volgens de geldende wetgeving ‘mandamus’ gevraagd worden
aan het Supreme Court, maar deze bevoegdheidstoekenning was in strijd met de
Grondwet: in artikel III staat omschreven welke zaken in aanmerking komen voor ‘original
jurisdiction’ van het Supreme Court en daar staat de onderhavige zaak niet bij. Dat leidde
tot de vraag of het Supreme Court wel bevoegd was zich over deze grondwettigheidsvraag
uit te laten. Het Hof vond van wel omdat:
-de wetgever heeft gelimiteerde bevoegdheden, hem toegekend door ‘the people’
-een wet in strijd met de Grondwet moet nietig zijn omdat anders de Grondwet een
nutteloos product is
-de Grondwet bepaalt dat de rechterlijke macht rechtspreekt in alle zaken, dat betekent
dat ook de verhouding tot die grondwet mag worden onderzocht
>> het rechtelijk toetsingsrecht was daarmee bevestigd
Maar hier is geen volledige overeenstemming tussen, enkele verschillende opvattingen:
- justices met een meer ‘activist’ perspectief op de rol van de rechter en de justices die
een positie van ‘restraint’ (rechterlijke terughoudendheid) kiezen
- sommige rechters, de zogenaamde originalists, propageren dat de Grondwet louter mag
worden uitgelegd naar de stand van het recht tijdens het opstellen ervan en de bedoeling
van de ontwerpers (Framers’ intent). Nieuwe rechten (privacy, strafprocessuele
waarborgen) kunnen dan ook niet in de Grondwet worden ingelezen, maar slechts door de
grondwetgever worden toegevoegd. Daar tegenover staan die justices die het wél
geoorloofd vinden om binnen de grenzen van de redelijkheid de Grondwet aan de eisen van
de tijd aan te passen en daarin veranderende maatschappelijke opvattingen en zeden te
lezen.
Het belang van het Supreme Court en de soms grote controversialiteit van zijn uitspraken
zijn er meer en meer toe gaan leiden dat presidenten het Hof in hun politieke campagnes
zijn gaan betrekken >> Vooral de republikeinse presidenten (Nixon, Reagan en Bush,
tweemaal) hebben aangekondigd rechters te benoemen die de abortusrechtspraak van het
Hof zullen terugdraaien evenals enkele andere zaken >> indien de Senaat ook republikein
is zal dit geen probleem opleveren want de Senaat moet de benoeming goedkeuren >
Uiteraard is de vraag legitiem of er niet sprake is van een te grote politisering van de
rechterlijke macht, maar daar tegenover staat dat het Supreme Court in algemene zin een
hoog aanzien geniet. Meestal benoemd een president maar 1 of 2 rechters en zal het
Supreme Court dus niet ‘kleuren’.
, Benoeming van rechters is één manier om de koers van het Hof proberen te bepalen. Een
andere is uiteraard een meer informele: door speeches en wetgeving proberen een dialoog
aan te gaan met het Hof.
In veruit het grootste deel van de zaken waarin het Supreme Court wetgeving in strijd met
de Grondwet oordeelt, betreft het wetgeving van staten. De belangrijke positie van het
Supreme Court komt dan ook niet alleen voort uit het rechterlijk toetsingsrecht in enge zin
(federale wetgeving versus Grondwet), maar ook en vooral doordat het Hof de executieve
kan controleren, statelijke wetgeving kan beoordelen én toeziet op de verticale verdeling
van bevoegdheden.
Grenzen van de mogelijkheden en bevoegdheden van het Hof:
- het Hof gaat bij de beoordeling van de grondwettigheid van wetgeving uit van de
aanname dat een wet grondwettig is; hij wordt dan ook allereerst grondwetsconform
geïnterpreteerd
- er zijn bepaalde terreinen waar het Hof in het algemeen verre van blijft (buitenlandse
betrekkingen en militaire conflicten)
- In incidentele gevallen doet het Hof afstand van rechtsmacht door een geschil als een
‘political question’ te bestempelen. Het gaat daarbij niet om politiek gevoelige zaken; hét
criterium is of er sprake is van een geschil dat de Grondwet aan een ander ter beslechting
opdraagt.
Hoezeer de political question doctrine dan ook wel tot de verbeelding heeft gesproken, als
instrument om politiek gevoelige zaken te weren fungeert het als zodanig in de VS niet!
Sommige kwesties die op het terrein van wetgever en executieve liggen (buitenlandse
betrekkingen) worden door het Hof marginaler beoordeeld waardoor recht wordt gedaan
aan de verhoudingen tussen de drie staatsmachten. Voor het overige toetst het Supreme
Court overheidshandelen volledig, als de Grondwet dienaangaande een maatstaf verschaft.
EHRM Schalk & Kopf
Schalk en Kopf (twee mannen) wilde graag trouwen in Oostenrijk, in Oostenrijk mochten
zij dit niet omdat de Oostenrijkste Grondwet alleen huwelijken tussen man en vrouw
erkent. In Hoger Beroep werd hun zaak ook afgewezen daarom gingen zij naar het EHRM.
Zij klaagden over schending van het recht om te huwen, family life en ongelijke
behandeling.
Het EHRM oordeelt dat art 12 EVRM (recht om te huwen) niet overtreden is. Het Hof laat
de invulling van art 12 over aan de lidstaten in de zin van of zij het recht op huwen
toekennen aan koppels met hetzelfde geslacht. Het Hof oordeelt dat er onvoldoende
consensus is tussen de lidstaten, gevolg is dat er geen verplichting is voor de lidstaten om
homoseksule koppels te laten vallen onder art. 12. De makers van het EVRM hebben niet
voor niets ‘man en vrouw’ geschreven in art 12 benadrukt het Hof.
Het beroep op art 14 (discriminatie) in overeenstemming met art 8 (family life) slaagt ook
niet. Het Hof oordeelde daarbij wel dat zij als homoseksueel koppel wel in staat moesten
worden gesteld om een familieleven op te bouwen. : ‘a cohabiting same-sex couple living
in a stable de facto partnership, falls within the notion of “family life”’ > dit was een
belangrijke ontwikkeling. Dit had het Hof nog niet eerder erkend. Het Hof verwees daarbij
naar de ‘snelle ontwikkeling van de sociale houding ten opzichte van homoseksule koppels
in Europa’. Dit was echter niet voldoende om hen het huwelijk toe te kennen.
Tijdens het proces voerde Oostenrijk het geregistreerd partnerschap in, de relatie van
homo koppels werd hierdoor wettelijk erkend > tolereert het EVRM een onderscheid tussen
het geregistreerd partnerschap en het huwelijk? Ja, geen overtreding art 14 i.o.m art 8
EVRM.
A.W. Heringa,Tweehonderd jaar rechterlijke toetsing in de VS, Ars Aequi 2003, 257-265
Supreme Court in Mabury v. Madison > het supreme court concludeerde dat het bevoegd
was wetgeving aan de Grondwet te toetsen > Grondwet erkent zelf niet specifiek het
rechtelijke toetsingsrecht.
Amerikaanse grondwet: verticale en horizontale scheiding van bevoegdheden en machten
Scheiding van machten > Montesiqieu > checks and balances > geen strike scheiding >
voorbeelden: president is betrokken bij de wetgeving omdat hij wetsvoorstellen met een
veto kan treffen & president benoemd rechters & de federale rechterlijke macht
controleert beide branches: zowel daden van de wetgever kunnen op grondwettigheid
worden beoordeeld als handelingen van de executieve op verenigbaarheid met wetgeving/
Grondwet.
Wetgever: Congress (House of Representatives en de Senate)
Uitvoerende macht: president
Federale en rechtelijke macht: Supreme Court
Mabury v. Madison: Echter, en helaas voor Marbury, had hij bij de verkeerde rechter
aangeklopt: weliswaar kon volgens de geldende wetgeving ‘mandamus’ gevraagd worden
aan het Supreme Court, maar deze bevoegdheidstoekenning was in strijd met de
Grondwet: in artikel III staat omschreven welke zaken in aanmerking komen voor ‘original
jurisdiction’ van het Supreme Court en daar staat de onderhavige zaak niet bij. Dat leidde
tot de vraag of het Supreme Court wel bevoegd was zich over deze grondwettigheidsvraag
uit te laten. Het Hof vond van wel omdat:
-de wetgever heeft gelimiteerde bevoegdheden, hem toegekend door ‘the people’
-een wet in strijd met de Grondwet moet nietig zijn omdat anders de Grondwet een
nutteloos product is
-de Grondwet bepaalt dat de rechterlijke macht rechtspreekt in alle zaken, dat betekent
dat ook de verhouding tot die grondwet mag worden onderzocht
>> het rechtelijk toetsingsrecht was daarmee bevestigd
Maar hier is geen volledige overeenstemming tussen, enkele verschillende opvattingen:
- justices met een meer ‘activist’ perspectief op de rol van de rechter en de justices die
een positie van ‘restraint’ (rechterlijke terughoudendheid) kiezen
- sommige rechters, de zogenaamde originalists, propageren dat de Grondwet louter mag
worden uitgelegd naar de stand van het recht tijdens het opstellen ervan en de bedoeling
van de ontwerpers (Framers’ intent). Nieuwe rechten (privacy, strafprocessuele
waarborgen) kunnen dan ook niet in de Grondwet worden ingelezen, maar slechts door de
grondwetgever worden toegevoegd. Daar tegenover staan die justices die het wél
geoorloofd vinden om binnen de grenzen van de redelijkheid de Grondwet aan de eisen van
de tijd aan te passen en daarin veranderende maatschappelijke opvattingen en zeden te
lezen.
Het belang van het Supreme Court en de soms grote controversialiteit van zijn uitspraken
zijn er meer en meer toe gaan leiden dat presidenten het Hof in hun politieke campagnes
zijn gaan betrekken >> Vooral de republikeinse presidenten (Nixon, Reagan en Bush,
tweemaal) hebben aangekondigd rechters te benoemen die de abortusrechtspraak van het
Hof zullen terugdraaien evenals enkele andere zaken >> indien de Senaat ook republikein
is zal dit geen probleem opleveren want de Senaat moet de benoeming goedkeuren >
Uiteraard is de vraag legitiem of er niet sprake is van een te grote politisering van de
rechterlijke macht, maar daar tegenover staat dat het Supreme Court in algemene zin een
hoog aanzien geniet. Meestal benoemd een president maar 1 of 2 rechters en zal het
Supreme Court dus niet ‘kleuren’.
, Benoeming van rechters is één manier om de koers van het Hof proberen te bepalen. Een
andere is uiteraard een meer informele: door speeches en wetgeving proberen een dialoog
aan te gaan met het Hof.
In veruit het grootste deel van de zaken waarin het Supreme Court wetgeving in strijd met
de Grondwet oordeelt, betreft het wetgeving van staten. De belangrijke positie van het
Supreme Court komt dan ook niet alleen voort uit het rechterlijk toetsingsrecht in enge zin
(federale wetgeving versus Grondwet), maar ook en vooral doordat het Hof de executieve
kan controleren, statelijke wetgeving kan beoordelen én toeziet op de verticale verdeling
van bevoegdheden.
Grenzen van de mogelijkheden en bevoegdheden van het Hof:
- het Hof gaat bij de beoordeling van de grondwettigheid van wetgeving uit van de
aanname dat een wet grondwettig is; hij wordt dan ook allereerst grondwetsconform
geïnterpreteerd
- er zijn bepaalde terreinen waar het Hof in het algemeen verre van blijft (buitenlandse
betrekkingen en militaire conflicten)
- In incidentele gevallen doet het Hof afstand van rechtsmacht door een geschil als een
‘political question’ te bestempelen. Het gaat daarbij niet om politiek gevoelige zaken; hét
criterium is of er sprake is van een geschil dat de Grondwet aan een ander ter beslechting
opdraagt.
Hoezeer de political question doctrine dan ook wel tot de verbeelding heeft gesproken, als
instrument om politiek gevoelige zaken te weren fungeert het als zodanig in de VS niet!
Sommige kwesties die op het terrein van wetgever en executieve liggen (buitenlandse
betrekkingen) worden door het Hof marginaler beoordeeld waardoor recht wordt gedaan
aan de verhoudingen tussen de drie staatsmachten. Voor het overige toetst het Supreme
Court overheidshandelen volledig, als de Grondwet dienaangaande een maatstaf verschaft.
EHRM Schalk & Kopf
Schalk en Kopf (twee mannen) wilde graag trouwen in Oostenrijk, in Oostenrijk mochten
zij dit niet omdat de Oostenrijkste Grondwet alleen huwelijken tussen man en vrouw
erkent. In Hoger Beroep werd hun zaak ook afgewezen daarom gingen zij naar het EHRM.
Zij klaagden over schending van het recht om te huwen, family life en ongelijke
behandeling.
Het EHRM oordeelt dat art 12 EVRM (recht om te huwen) niet overtreden is. Het Hof laat
de invulling van art 12 over aan de lidstaten in de zin van of zij het recht op huwen
toekennen aan koppels met hetzelfde geslacht. Het Hof oordeelt dat er onvoldoende
consensus is tussen de lidstaten, gevolg is dat er geen verplichting is voor de lidstaten om
homoseksule koppels te laten vallen onder art. 12. De makers van het EVRM hebben niet
voor niets ‘man en vrouw’ geschreven in art 12 benadrukt het Hof.
Het beroep op art 14 (discriminatie) in overeenstemming met art 8 (family life) slaagt ook
niet. Het Hof oordeelde daarbij wel dat zij als homoseksueel koppel wel in staat moesten
worden gesteld om een familieleven op te bouwen. : ‘a cohabiting same-sex couple living
in a stable de facto partnership, falls within the notion of “family life”’ > dit was een
belangrijke ontwikkeling. Dit had het Hof nog niet eerder erkend. Het Hof verwees daarbij
naar de ‘snelle ontwikkeling van de sociale houding ten opzichte van homoseksule koppels
in Europa’. Dit was echter niet voldoende om hen het huwelijk toe te kennen.
Tijdens het proces voerde Oostenrijk het geregistreerd partnerschap in, de relatie van
homo koppels werd hierdoor wettelijk erkend > tolereert het EVRM een onderscheid tussen
het geregistreerd partnerschap en het huwelijk? Ja, geen overtreding art 14 i.o.m art 8
EVRM.