Inleiding blok en anatomie
Anatomie: bouw menselijk lichaam, waarneembaar met blote oog
- Systemisch: orgaanstelsel bv. tractus digestivus, tractus circulatorius
- Regionaal: gebied binnen lichaam bv. abdomen
- Klinisch: bouw van mens t.o.v. zieken
Morfologie: uiterlijk lichaam, is veranderbaar
Nomenclatuur: naamgeving
a. arteria v. vena n. nervus m.musculus
ren = nier hepar = lever
Vascularisatie: bloedvoorziening van een orgaan m.b.v. bloedvaten
Innervatie: aansturing van een orgaan m.b.v. zenuwen
Topografische aanduidingen: referentie met anatomische positie
Vlakken: transversaal/axiaal, coronaal/frontaal, sagittaal/mediaan
Locatie: anterior/ventraal, posterior/dorsaal, superior/craniaal, inferior/caudaal, mediaal, lateraal,
proximaal, distaal, oppervlakkig, diep, rostraal (dieren).
Cavitas: lichaamsholtes
- Holte van schedel hersenen
- Thoraxholte hart, longen
- Buikholte maag, lever
Diafragma scheidt thoraxholte van buikholte
Sereuze vliezen maken beweging mogelijk. Dit zijn vochtproducerende vliezen tussen organen en
holtes (peritoneum = buikvlies).
Transversale doorsnedes worden altijd vanaf de onderkant bekeken.
Steun- en bewegingsstelsel
Algemene gewrichtsleer (arthrologie)
Junctura (gewricht): verbinding tussen botten.
- Junctura fibrosa: bindweefselverbinding (vast)
o Sutura (schedel), gomphosis (tand), syndesmose (tussen ulna en radius)
- Junctura cartilaginea: kraakbeenverbinding (vast)
o Symphysis (discus vertebralis, pubic symphysis), synchondrose (groeiplaat)
- Junctura synovialis: met cavum articulaire (gewrichtsspleet)
Synovia (gewrichtsmeer): zorgt voor beweging
Kop en kom met hyaline kraakbeen
Gewrichtskapsel
o Membrana synovialis: binnenste laag
o Membrane fibrosa: buitenste laag
Ligamenten; capsulair (binnen kapsel) en extra-capsulair (buiten kapsel)
Kraakbeen(hulp)structuren:
, o Discus, meniscus, bursae
Indeling synoviale gewrichten
Naar assen: 1-, 2-, of 3-assig
Naar vorm:
- Scharniergewricht (lengte of dwars): 1 assig
- Vlakgewricht
- Condylair/ellipsoid: 2 assig
- Bicondylair
- Zadelgewricht: 2 assig
- Kogelgewricht: 3 assig
Beweging van gewrichten
Abductie/adductie in frontaal vlak om sagittale as
Flexie/extensie in sagittaal vlak om transversale as
Endorotatie/exorotatie in transversaal vlak om longitudinale as
Arm: flexie/extensie, pronatie/supinatie
Hand: abductie/adductie, palmairflexie/dorsaalflexie, circumductie
Duim: abductie/adductie, flexie/extensie, opponeren/reponeren door CMC-gewricht: zadel.
Vinger: abductie/adductie, flexie/extensie, circumductie: condylair (metacarpophalangeaal gewricht)
Spieren
- Generen bewegingen en zorgen voor stabiliteit
- Spierverloop bepaalt functie (t.o.v. bewegingsassen)
- Aanhechtingsplaatsen: origo (proximaal) en insertie (distaal)
- Mono-, bi- of polyarticulair: aantal langslopende gewrichten
Flexie in enkel (plantairflexie) gebeurt door dorsale beenspieren.
Schoudergordel: clavicula en scapula
Schoudergewricht: tussen humerus en scapula
Scapula hangt in spieren, geen gewricht meer thoraxwand
Open gordel, dus grote bewegingsmogelijkheid en weinig stabiliteit
Schoudergewrichten:
- Art. sternoclavicularis: sternum en clavicula
o Verbinding romp met schoudergordel
o Functioneel kogelgewricht (door discus articularis): grote beweeglijkheid
- Art. arcomioclavicularis: acromion en clavicula
o Veel ligamenten: weinig beweeglijkheid
- Art. glenohumeralis of art. humeri: scapula (cavitas glenoidalis) en humerus
o Ondiepe kom: veel beweeglijkheid
o Slap en wijd kapsel
o Stabiliteit door rotator cuff
Bewegingen schoudergordel door beweging scapula:
- Elevatie/depressie
- Protractie/retractie
- Laterorotatie/mediorotatie
, Scapulohumerale ritme: bewegingen van arm hoger dan 90° mogelijk door laterorotatie van scapula
Stabiliteit van gewricht
Hangt af van:
- Kapsel (slap/wijd)
- Aanwezigheid van ligamenten en spieren
- Botten van gewricht
- Soort oppervlakte van het bot (ruw/glad)
Onderste extremiteit
- Draagt lichaamsgewicht
- Beweging van het lichaam
Zwaartepunt lichaam: voor wervel S2
Hoek tussen collum femoris (hals dijbeen) en corpus femoris (lichaam dijbeen) = 125°. Hierdoor
convergeert femur naar de knieën.
Tibiofemorale hoek: hoek tussen femur en tibia = 174°. Hierdoor staat tibia recht onder het lichaam.
Bekkengordel: os coxae + os sacrum (heiligbeen)
Gesloten gordel: veel stabiliteit voor de dragende functie
Os coxae: één bot gevormd uit drie botten door verbening na puberteit
- Os pubis: schaambeen
- Os ischium: zitbeen
- Os ilium: darmbeen
Deze beenderen komen samen in het acetabelum (kom heupgewricht)
Gewrichten in bekkengordel
- Symphysis pubica: tussen twee os pubis.
o Junctura cartilaginea
- 2x art. sacroiliaca: tussen sacrum en os ilium
o Junctura synovialis, maar niet beweeglijk!
Ruw oppervlak
Neiging tot fibroseren, dus veel ligamenten
Zeer sterke kapsels
o Beweeglijkheid neemt toe bij zwangerschap (vrijkomen van hormonen maken
ligamenten weker)
Bekkeningang (opening bekkengordel) verdeelt bekken in:
- Pelvis major: deel van buikholte, bevat darmen
- Pelvis minus: bevat bekkenholte, bevat bekkenorganen
Bekkenholte (cavitas pelvis) bevindt zich boven bekkenbodem. Bekkenbodem (diafragma pelvis) zorgt
voor steun en dragen van bekkenorganen en vangt de intra-abdominale druk op.
Vrouwelijke bekken: laag en breed (grotere bekkeningang voor baren kind)
Mannelijke bekken: hoog en smal
Art. coxae (heupgewricht)
- Tussen femur en os coxae
- Sterk door diepe kom (acetabulum), stevig kapsel en veel ligamenten