Taak 4/5
Virus heeft een gastheer nodig om voor te planten -> geen zelfstandig organisme
Prokaryoot: (bacterie/archaea) geen celkern
Eukaryoot (gisten/algen/mens) wel een celkern
Bacterie: eencellige preukayoot -> groei hangt af van
- Soort bacterie
- Chemische samenstelling omgeving
- Tempratuur
Algemenen transmissie: abiotisch environment factors: iemand krijgt een virus binnen door
een vector zoals een vleermuis
Transmissie mens op mens:
- Drirect contact: vieze handen
o Horizontaal: aanraken zoenen seksen
o Verticaal: moeder in baarmoeder of zwangerschap
- Indirect contact: deurklink aanraken
- Airborn: iemand anders zijn adem
Infectieziekte: ontmoeting met ziekte die schadelijk is
Virulentie: mate van ziekte veroorzaakt door pathogeen
Pathagoniteit: een organisme wat ziekte kan veroorzaken
- Primaire: veroorzaakt bijna altijd ziekte
- Opportunistische: wachten tot ziekte tot organisme verzwakt is
Afweer
1ste linie -> extern niet specifiek
2de linie -> intern niet specifiek
Hormonale
Leukocyten geactiveerd ->
Bij binnendringen van een pathogeen wordt een stofje afgegeven door de beschadigde
cellen dit zorgt dat de bloedbaan verwijdt/ bloeddruk verhoogt-> snelheid neemt af ->
macrofagen naar zijkant van bloedvat -> cellen van bloedvat vangen ze op en begeleiden ze
naar buiten
Cellulaire:
Virus dringt lichaam binnen en beschadigde cellen geven infronen af -> deze zorgen ervoor
dat buurcellen gaan samenklonken en niet makkelijk zijn te infecteren -> natural killer cel
wordt geactiveerd deze dood de cel met perforine
, 3de linie: specefieke afweer
T-lymofocyt/CD8: wordt geactiveerd door een antigen presterende cel 2 soorten
1. HLA/MHC 1: aanwezig op alle cellen met een kern -> presenteert stukjes eiwit
2. HLA/MHC 2: op dendritische cellen (bevinden zich waar ziekte verwekkers binnen
dringen -> geeft dit door aan immuunsysteem) /macrofagen -> presenteert
gefagyoceert eiwit
Dan ->
Ontstaan T-helpercellen (activatie door 1. MHC2 binding presenterend 2. Cytokinen) doel
- Helpen van macrofagen
- Helpen B-geheugen cel
- Helpt binden van MHC 2
Dan ->
Activering toxische T cel herkent en dood cel met perfonorines of granzymen
Of
B lymfocyt (activatie door cytokine)
- B geheugen cel: onthoudt antigen
- B plasmacel: scheid specifieke cellen uit die binden aan een antistof:
o Neutraliserende
o Opsonisatie: aanpassen zodat macrofagen ze makkelijker kunnen pakken
o Activeren compliment systeem: cascade van reacties tot er poriën in de cel
ontstaan
Fagocytose: bacterie word opgenomen in een fagocyt en komt in een fagosoom ( een blaasje
met vocht) dit komt samen met lysoom (verteringseiwit) -> wordt verteerd en afgegeven
door exocytose
Barries lichaam
Fysiek
o Huid
o Slijmvlies
o Darm
o Elimineren door reflex
Chemisch
- Extreme zuurgraad
- Lysozymen: enzym wat de wand van de bacterie afbreekt
- Lacoterine: bindt ijzer zodat bacteriën ze niet gebruiken om te groeien
Vaccinatie: in aanraking komen met een pathogeen en zo antistoffen/b-geheugencellen
aanmaken
MRNA: ontvangen van stukjes MRNA die eiwit spikes maken (lijken op het antigen) ->
antistoffen worden gemaakt
Virus heeft een gastheer nodig om voor te planten -> geen zelfstandig organisme
Prokaryoot: (bacterie/archaea) geen celkern
Eukaryoot (gisten/algen/mens) wel een celkern
Bacterie: eencellige preukayoot -> groei hangt af van
- Soort bacterie
- Chemische samenstelling omgeving
- Tempratuur
Algemenen transmissie: abiotisch environment factors: iemand krijgt een virus binnen door
een vector zoals een vleermuis
Transmissie mens op mens:
- Drirect contact: vieze handen
o Horizontaal: aanraken zoenen seksen
o Verticaal: moeder in baarmoeder of zwangerschap
- Indirect contact: deurklink aanraken
- Airborn: iemand anders zijn adem
Infectieziekte: ontmoeting met ziekte die schadelijk is
Virulentie: mate van ziekte veroorzaakt door pathogeen
Pathagoniteit: een organisme wat ziekte kan veroorzaken
- Primaire: veroorzaakt bijna altijd ziekte
- Opportunistische: wachten tot ziekte tot organisme verzwakt is
Afweer
1ste linie -> extern niet specifiek
2de linie -> intern niet specifiek
Hormonale
Leukocyten geactiveerd ->
Bij binnendringen van een pathogeen wordt een stofje afgegeven door de beschadigde
cellen dit zorgt dat de bloedbaan verwijdt/ bloeddruk verhoogt-> snelheid neemt af ->
macrofagen naar zijkant van bloedvat -> cellen van bloedvat vangen ze op en begeleiden ze
naar buiten
Cellulaire:
Virus dringt lichaam binnen en beschadigde cellen geven infronen af -> deze zorgen ervoor
dat buurcellen gaan samenklonken en niet makkelijk zijn te infecteren -> natural killer cel
wordt geactiveerd deze dood de cel met perforine
, 3de linie: specefieke afweer
T-lymofocyt/CD8: wordt geactiveerd door een antigen presterende cel 2 soorten
1. HLA/MHC 1: aanwezig op alle cellen met een kern -> presenteert stukjes eiwit
2. HLA/MHC 2: op dendritische cellen (bevinden zich waar ziekte verwekkers binnen
dringen -> geeft dit door aan immuunsysteem) /macrofagen -> presenteert
gefagyoceert eiwit
Dan ->
Ontstaan T-helpercellen (activatie door 1. MHC2 binding presenterend 2. Cytokinen) doel
- Helpen van macrofagen
- Helpen B-geheugen cel
- Helpt binden van MHC 2
Dan ->
Activering toxische T cel herkent en dood cel met perfonorines of granzymen
Of
B lymfocyt (activatie door cytokine)
- B geheugen cel: onthoudt antigen
- B plasmacel: scheid specifieke cellen uit die binden aan een antistof:
o Neutraliserende
o Opsonisatie: aanpassen zodat macrofagen ze makkelijker kunnen pakken
o Activeren compliment systeem: cascade van reacties tot er poriën in de cel
ontstaan
Fagocytose: bacterie word opgenomen in een fagocyt en komt in een fagosoom ( een blaasje
met vocht) dit komt samen met lysoom (verteringseiwit) -> wordt verteerd en afgegeven
door exocytose
Barries lichaam
Fysiek
o Huid
o Slijmvlies
o Darm
o Elimineren door reflex
Chemisch
- Extreme zuurgraad
- Lysozymen: enzym wat de wand van de bacterie afbreekt
- Lacoterine: bindt ijzer zodat bacteriën ze niet gebruiken om te groeien
Vaccinatie: in aanraking komen met een pathogeen en zo antistoffen/b-geheugencellen
aanmaken
MRNA: ontvangen van stukjes MRNA die eiwit spikes maken (lijken op het antigen) ->
antistoffen worden gemaakt