Probleem 13. Less is more? Or the more the merrier?
1. Wat is de invloed van gezinsgrootte op het kind?
2. Wat is differentiële opvoeding?
Hoofdstuk 2: Broers en zussen
Door F. boer
Inleiding. Negen van de tien mensen groeien op in een gezin samen met andere kinderen. In
het Nederlands wordt voor de term siblings ook wel brussen gebruikt.
Broers en zussen. (1) Broer-zus relaties zijn onbevangen (je niet druk maken over wat de
ander van je vindt), ambivalent (competitie vs. op elkaar aangewezen zijn), hebben een gevoel
van lotsverbondenheid (doordat contact, vooral in jeugd, intensief is) en gekenmerkt door een
grote verscheidenheid (interacties veranderen steeds: samen vrolijk vs. samen ruzie). (2)
Alhoewel veel kinderen rond de geboorte van een broertje of zusje een tijdelijke terugval in
de ontwikkeling laten zien, doen anderen juist een stap vooruit (ligt ook aan hoe ouders op de
situatie inspelen). (3) De meeste kinderen die een gehandicapte/zieke broer of zus hebben,
ontwikkelen geen problemen, maar vallen op in positieve zin (sterk verantwoordelijkheids-
gevoel en sociale betrokkenheid). Anderen kijken verbitterd terug op hun jeugd waar de
gehandicapte/zieke broer of zus alle aandacht van de ouders inpikte.
(4) Voor kinderen is de scheiding van ouders een ingrijpende gebeurtenis. Bij elkaar
blijvende kinderen kunnen dan erg veel steun hebben aan elkaar. Oudste kinderen ervaren de
scheiding echter vaak alsof ze die helemaal alleen hebben meegemaakt: vaak nemen ze een
steunende rol in voor jongere broers en zussen. Nadelige scheidingsgevolgen zijn ook minder
voor kinderen wanneer zij een oudere broer/zus hebben (vooral bij een oudere broer voor
jongens die na de scheiding hun vader minder zien). Door scheiding van ouders veranderd de
broer-zus relatie van karakter: het oudste kind moet de niet-residentiële ouders vervangen en
een opvoedrol op zich nemen. Alhoewel dit steunend kan werken, kan het (wanneer een kind
het niet graag doet) ook uitmonden in dictatoriaal of pesterig gedrag naar jongere
broers/zussen. Scheiding kan ook leiden tot een gebrek aan ouderlijke betrokkenheid wat bij
kinderen kan leiden tot veranderde onderling relaties (twee zussen trekken vaak naar elkaar
toe; twee broers of een broer en zus reageren hun onlust vaak op elkaar af). Aanvankelijk gaan
broers en zussen vaak samen op bezoek bij de niet-residentiële vader (zodat ze elkaar kunnen
steunen). Later gaan ze liever apart (omdat het organiseren van activiteiten -door de niet-
residentiële ouders- die voor alle kinderen even geschikt zijn, moeilijk is en kinderen
daardoor bijv. jaloers kunnen worden of zich overbodig voelen).
(5) Na de scheiding gaan veel kinderen deel uitmaken van een nieuw-samengesteld
gezin. De relatie tussen stiefbroers en -zussen is gemiddeld minder positief dan die tussen
volle broers en zussen (bijv. door loyaliteitsconflicten). Wanneer twee gezinnen in elkaar
schuiven, krijgen kinderen soms een andere plaats in de rij (levert soms moeilijkheden op,
vooral bij oudste kinderen die ineens niet meer de oudste zijn). Hoe jonger de kinderen, des te
groter de kans dat zich nog een broer-zus gevoel zal ontwikkelen Naast de mate waarin ouders
1